Na zijn felgevierde honderdste verjaardag – alhoewel, coronatijden… – mocht José Reynaert ook een 101e en 102e verjaardagskaars uitblazen. Reynaert debuteerde in 1939 in het eerste elftal van Club Brugge en was de oudst nog levende ex-speler van blauw-zwart. Een tweetal weken geleden werd hij met een longontsteking opgenomen in het ziekenhuis, zaterdagavond sliep hij vredig in. Misschien bereikt er een andere ex-Club Brugge-speler op een dag een hogere leeftijd dan Reynaert, maar één record pakken ze hem nooit meer af: hij was de laatst nog levense speler die voor de Tweede Wereldoorlog nog in onze Belgische hoogste divisie speelde.

José Reynaert werd op 7 december 1921 geboren in Beernem, een gemeente in de groene rand rond Brugge. Hij startte zijn carrière bij de lokale club SC Beernem. Dat was een zowaar klein familiebedrijf: vader Achiel, een kleermaker, was er voorzitter, en met Lionel, Charles en Ghislain speelden er ook nog drie broers van José. “Tijdens de middagpauze speelden we altijd een partijtje onder ons vieren, twee tegen twee. Dat was elke keer Cercle tegen De Club: twee van mijn broers waren supporters van Cercle, Lionel en ik waren voor ‘De Club’. En op een dag hadden ze een speler nodig bij Beernem, dus mocht ik mee. En dat ging zo goed dat ik mocht blijven komen”, vertelde Reynaert in 2021 aan de Krant van West-Vlaanderen.

Op een mooie dag kwam FC Brugeois zijn oudere broer Lionel scouten, maar het was uiteindelijk José die in 1938 naar het Albert Dyserynckstadion mocht verhuizen. Brugeois was in het seizoen 1937/38 vijfde geëindigd in de hoogste divisie, op ruime afstand van kampioen Beerschot. Dat hij voor Club Brugge laten we voor het gemak de huidige naam van stamnummer drie gebruiken tekende, wilde niet zeggen dat hij Beernem liet vallen. “In die tijd kon je bij zowel de Vlaamse als de Belgische voetbalbond aangesloten zijn. Beernem was aangesloten bij de Vlaamse Voetbalbond, Club bij de Belgische”, aldus Reynaert, die in 2014 een prachtige anekdote deelde over zijn flexibiliteit. “Op een dag reed ik ’s morgens naar Brugge om een wedstrijd te spelen en kwam ik ’s middags thuis om vlug een hapje te eten. In de namiddag reed ik dan met de fiets naar Balgerhoeke voor een andere wedstrijd en kwam ik ’s nachts thuis. Ik had er twee wedstrijden en honderd kilometer met de fiets op zitten.” Van doorzettingsvermogen gesproken.

WK 1930

Op 26 maart 1939, een kleine week voor het officiële einde van de Spaanse Burgeroorlog, maakte Reynaert zijn debuut in Eerste klasse. In het huidige Edmond Machtensstadion, dat in datzelfde jaar 1939 werd omgedoopt van Daringstadion naar Oscar Bossaertstadion, verscheen Reynaert in de basis tegen vijfvoudig landskampioen Daring Club de Bruxelles. De Molenbekenaars waren in 1936 en 1937 landskampioen geworden en in 1938 tweede, maar bij het debuut van Reynaert verkeerde de club in acuut degradatiegevaar. Net als Club Brugge zelf trouwens. Ondanks de 0-0-einduitslag zou Reynaert deze wedstrijd achteraf bestempelen als zijn mooiste herinnering ooit in het blauw-zwarte shirt.

Enkele tegenstanders van Reynaert op 26 maart 1939 waren Nolle Badjou, de doelman van België op het WK 1930, en Marius Mondelé, de topschutter van België in 1935 en 1938. Stond die dag ook op het veld, maar dan aan Brugse zijde: Marcel Van Vyve, de latere conciërge en terreinbewaarder van het Albert Dyserynckstadion (De Klokke in de volksmond). Zijn kleindochter Stefanie trad in 1997 in het huwelijksbootje met Sven Vermant, huidig Westerlo-speler Romeo Vermant is dus zijn achterkleinzoon.

Beeld u zich vooral geen professionele taferelen als in de tijd van Romeo Vermant in als u denkt aan de begindagen van Reynaerts eersteklassecarrière. “We speelden met schoenen waarop ijzeren studs genageld waren. We hadden zelfs een schoenmaker in de club om die te herstellen. Een gewonnen match bracht 300 frank op, een gelijkspel 200 frank en een verloren match 100 frank. Dat was vrij veel geld voor die tijd. Zeker voor een zeventienjarige.” Wie geen werk had naast het voetbal, kon aan de slag in de blikslagerij van voorzitter Emile De Clerck. “Maar sterallures hadden wij totaal niet. We speelden vooral voor de eer”, schetste Reynaert ooit. Dat iedereen in Beernem hem plots kende en dat zijn ouders hem een zondagse hoed kochten om proper naar Brugge te kunnen gaan, dat was voor Reynaert genoeg.

Het was ook nog lang niet de tijd van de pre-assists en de expected goals. Aan Reynaert moest je niet vragen hoeveel goals hij in totaal maakte voor Club Brugge. “Goals? Dat werd toen allemaal niet zo nauwgezet bijgehouden. Nu word je om de oren geslagen met statistieken. In mijn beste seizoen deed ik zes of zeven keer de netten trillen, maar als flankspeler was ik vooral een aangever”. Jawel, Reynaert was een rechtsbuiten, een nummer 11. Een die naar eigen zeggen snel kon lopen en een redelijke voorzet was. Rap lopen, dat was zelden naar de eigen achterlijn – we spreken over de tijd van vijf aanvallers, toen er van de full-wingback nog lang geen sprake was. Volgens een bron zou Reynaert “ongeveer dertig goals” gescoord hebben voor Club Brugge.

Interlands in Nazi-Duitsland

De Tweede Wereldoorlog mag dan wel een rem geweest zijn op de carrière van Reynaert, het heeft hem niet belet om verder te blijven voetballen. Er werden in ons land immers noodcompetities georganiseerd. Club Brugge speelde tussen 1941 en 1944 in de Eerste afdeling, het tweede niveau, tegen ploegen als Vilvorde FC, US du Centre, Oude God Sport en Belgica Edegem. Om op zondag bij US du Centre te gaan voetballen, moesten de spelers van Brugge al op zaterdag vertrekken, om vervolgens in een vrachtwagen gestookt met hout aan te komen in Henegouwen.

Via Club Brugge was Reynaert in de Tweede Wereldoorlog aan een vals paspoort geraakt. Dat was nodig, want de Beernemnaar had zijn opvordering om in Duitsland te gaan werken links laten liggen, waardoor hij als werkweigeraar kon worden aanzien. Reynaert kreeg slechts één keer controle: toen de Club-spelers de trein namen in Brussel en in Gent moesten overstappen. “Ik heb ze toen wel geknepen, want iedereen moest zijn papieren laten zien. Ze keken er eens naar en lieten mij passeren”, vertelde Reynaert ter gelegenheid van zijn honderdste verjaardag aan Het Laatste Nieuws.

De Duitsers slaagden er uiteindelijk toch in om Reynaert te pakken. “Dat kwam omdat ze in Beernem, waar ik woonde, een aanslag hadden gepleegd op een zwarthemd, een collaborateur. De Duitsers hebben toen het hele dorp afgezet en iedereen opgepakt. Zo hebben ze mij toch te stekken gekregen. Ik ben op de trein gezet en naar Duitsland gebracht, om er zeven maanden in een wapenfabriek te werken. Ik moet wel zeggen: we werden daar goed verzorgd. Eten en drinken op tijd en stond en… we mochten voetballen. Elk weekend speelden we wedstrijden, tegen de Duitsers, maar ook tegen ploegen van mannen die van overal kwamen — Tsjechen, Polen, Hongaren. Eigenlijk waren het een soort van interlands.”

Krulbollen met buurman Sylveer

In 1947, een jaar na de terugkeer van Club Brugge naar de hoogste divisie, kwam er een einde aan de carrière van Reynaert bij blauw-zwart. De voormalige flankspeler verhuisde naar Eeklo, waar hij nog voor FC Eeklo (thans FCE Meetjesland) en SK Eeklo (in 1968 opgeheven) speelde. De voornaamste reden van zijn verhuis was weliswaar de ambacht van de kleermakerij. Reynaert wilde een eigen zaak opstarten, maar wilde de concurrentie met zijn vader niet aangaan. In 1971 keerde hij toch terug naar Beernem, waar hij in de Stationsstraat De Welvaart ging uitbaten.

Reynaert bleef ook een sportman in hart en nieren. In 1976 stampte hij samen met zijn buurman Sylveer Denys de krulbolclub De Bosbolders uit de grond. Het krulbollen zat bij de Reynaerts kennelijk in het bloed, want in maart 2006 berichtte de Krant van West-Vlaanderen over ene Paul Reynaert die het maandelijkse kampioenschap van De Bosbolders won. Paul is, jawel, de zoon van José. De zoon van zijn dochter Rika, Joeri Sabbe, schopte het in de jaren ’90 zelfs tot de hoogste voetbaldivisie in het shirt van Cercle Brugge. Joeri begon zijn carrière net als opa José bij SC Beernem en kon op zijn twaalfde bij onder andere Anderlecht en Club Brugge tekenen, maar onder impuls van buurman Didier Frenay, die zelf jarenlang het groen-witte shirt droeg, werd het Cercle.

Toen kleinzoon Joeri zijn officiële debuut maakte in het eerste elftal van Cercle Brugge, had Reynaert zijn voetbalschoenen nog steeds niet aan de haak gehangen. Tot zijn 75e is hij blijven zaalvoetballen, op het einde schoolde hij zich zelfs om tot doelman. En dat ondanks een openhartoperatie in 1985. Na zijn definitieve voetbalpensioen bleef Reynaert het gras opzoeken, weliswaar om zijn achterkleinkinderen te zien voetballen bij KSC Beernem, dat in 2015 een fusie aanging met VV Cercle Oedelem en sindsdien als VVC Beernem door het leven gaat.

Reynaert heeft in totaal zes kleinkinderen en veertien achterkleinkinderen gekend. Zijn vrouw Maria De Smet, waarmee hij meer dan zeventig jaar getrouwd was, heeft hij helaas al in 2019 moeten afgeven. Zij maakte niet meer mee hoe haar echtgenoot op 12 december 2021 de aftrap mocht geven van Club Brugge-Zulte Waregem ter gelegenheid van zijn honderdste verjaardag. Reynaert straalde toen al een tijdje vleesgeworden nostalgie uit. Al in 2004 was de voormalige flankaanvaller, toen 83, de oudste aanwezige op een reünie van een tachtigtal ex-Club-spelers. Ook buiten het voetbal ging zijn leeftijd niet onopgemerkt voorbij: toen Margareta Maenhout in augustus 2022 overleed, werd Reynaert de oudste inwoner van Beernem. Dat hoeft op zich niet te verbazen, want zijn oudere zus vierde in het voorjaar… haar 103e verjaardag. Zo oud is José helaas net niet geworden.