Alsof Raymond Poulidor plots de Ronde van Frankrijk had gewonnen. Bayer Leverkusen, de eeuwige tweede, werd met nog vijf speeldagen te gaan voor het eerst in zijn bestaan landskampioen geworden. Vicekusen, zoals de club ook wel eens spottend werd genoemd, werd tussen 1997 en 2011 vijfmaal vicelandskampioen. Zitten er bij de zestien Belgische clubs die ooit landskampioen werden ook zulke gevallen die tussen de plooien van de geschiedenis gevallen zijn?

Club Brugge (4): vicekampioen in 1899, 1906, 1910, 1911 – kampioen in 1920
Op 1 januari 1971 schakelde de BRT over op kleurentelevisie. De beelden van de tweede landstitel van Club Brugge, in 1973, werden dus in kleur de Belgische huiskamers ingestuurd. De tweede, jawel, want in 1920 – toen zelfs de radio nog in zijn kinderschoenen stond in België – werd blauw-zwart voor het eerst landskampioen. Dat Club Brugge in het eerste seizoen na de Eerste Wereldoorlog landskampioen werd, was geen toevalstreffer: voor de oorlog was het latere stamnummer drie er al een paar keer dichtbij geweest.

Het Club Brugge van het einde van de 19e eeuw stond weliswaar mijlenver van de huidige versie van de club. Het jaar 1891 wordt gezien als het oprichtingsjaar, maar tussen de Brugsche Football Club die toen het levenslicht zag en de FC Brugeois die in het seizoen 1898/99 onderuit ging in de finalewedstrijden tegen FC Liégeois is er heel wat gebeurd. Kort na de oprichting van Brugsche FC scheurden een deel Franstaligen zich los om uiteindelijk FC Brugeois op te richten. Beide clubs leefden een paar jaar parallel naast elkaar, maar kwamen in 1897 uiteindelijk weer samen, uit pure noodzaak. FC Brugeois werd weer opgenomen in Brugsche FC, maar de club zou voortaan wel onder de Franstalige naam FC Brugeois voetballen.

In het pionierseizoen 1895/96 had FC Brugeois de stad Brugge vertegenwoordigd, daarna was er twee seizoenen lang geen club uit de stad van Breydel te bespeuren in de toenmalige Coupe de Championnat. In het seizoen 1898/99 was FC Brugeois (de fusieclub weliswaar) weer aan zet, maar onder voorbehoud. De club vond dat de Brusselse clubs te hard bevoordeeld werden door de voetbalbond en zinspeelde met het idee om een Vlaamse voetbalbond uit de grond te stampen, waarop de competitie uiteindelijk werd onderverdeeld in twee reeksen: in de ene reeks speelden naast de Brusselse clubs ook Antwerp FC en FC Liégeois, in de andere reeks nam FC Brugeois het op tegen Oostendsche FC, AC Gantois en Sport Pédestre de Gand. De winnaar van beide poules zouden dan tegen elkaar spelen om de landstitel. FC Liégeois en FC Brugeois kwamen als winnaars uit de bus, waarna de Luikenaars twee keer te sterkste waren. Om zijn eerste vicelandstitel te behalen, had FC Brugeois zich dus niet naar Antwerpen of Brussel moeten verplaatsen. In het seizoen 1899/00 greep FC Brugeois op die manier ook net naast de landstitel, al was het verschil met Racing Club de Bruxelles in de finalewedstrijden wel iets groter: de totaalscore bedroeg 11-1 in het voordeel van de Brusselaars. De meeste bronnen duiden voor dat seizoen wel Antwerp FC, dat in de andere reeks net achter Racing Club de Bruxelles was geëindigd, aan als vicekampioen.

Er werd in de beginjaren van het competitievoetbal stevig gesleuteld aan het format. Vanaf het seizoen 1900/01 werd er weer gewoon met een round-robinsysteem gewerkt: elke club kwam tweemaal uit tegen alle clubs. In dat systeem eindigde FC Brugeois voorlaatste, enkel… CS Brugeois (het huidige Cercle Brugge) haalde nog minder punten. Daarna werd er weer verschillende jaren met verschillende reeksen gewerkt. Om een voorbeeld te geven, spoelen we door naar het seizoen 1903/04. In de Eere Afdeeling A eindigde Union Sint-Gillis eerste, waardoor het samen met FC Brugeois – dat testwedstrijden tegen CS Brugeois nodig had doordat de groen-zwarte stadsgenoten ook zeventien punten gesprokkeld hadden in de ‘reguliere competitie – naar de eindronde mocht. De vertegenwoordigers uit de Eere Afdeeling B waren Racing Club de Bruxelles en Léopold Club de Bruxelles. FC Brugeois eindigde derde in de eindronde met 4 op 12, ruim onder kampioen Union dat het maximum van de punten had behaald.

Vanaf het seizoen 1904/05 werd er weer overgegaan op een round-robinsysteem. FC Brugeois eindigde dat seizoen derde. Het seizoen 1905/06 is het eerste seizoen waarin Brugeois vicelandskampioen werd met een round-robinsysteem. De Bruggelingen eindigden dat seizoen op vier punten van kampioen Union. Daarna volgden drie opeenvolgende derde plaatsen. In het seizoen 1909/10 viste Brugeois opnieuw naast het net in een testwedstrijd, maar dat komt doordat Union en Brugeois in de reguliere competitie allebei 38 punten hadden gesprokkeld. De laatste vooroorlogse tweede plaats behaalde Brugeois in 1911 weer ‘gewoon’ door in de reguliere competitie tweede te eindigen na de kampioen, ditmaal stadsgenoot CS Brugeois.

Antwerp FC (3): vicekampioen in 1896, 1900, 1925 – kampioen in 1929
Je hoeft niet eens een verwoed sportquizzer te zijn om te weten dat FC Liégeois de allereerste Belgische landskampioen was. Wie de eerste vicekampioen was, dat zullen al wat minder mensen kunnen zeggen. Wel, de eerste die net achter het net viste was het latere stamnummer één, Antwerp FC. Hoeveel waarde dat heeft in een seizoen waarin er nog vaak forfait werd gegeven om organisatorische redenen – van Brussel naar Antwerpen reizen gaat nu al niet altijd vlot, laat staan in de 19e eeuw –, maar het is desalniettemin een fierheid. In het laatste seizoen dat volledig in de 19e eeuw werd gespeeld (1899/00) kreeg Antwerp FC, volgens de meeste bronnen, ook de titel van vicelandskampioen toegedicht – zie het verhaal van Club Brugge.

Voor de volgende zilveren medaille moeten we twee decennia doorspoelen. Als startpunt nemen we niet het eerste naoorlogse seizoen 1919/20, waarin Antwerp vierde eindigde, of het seizoen 1921/22 waarin Antwerp derde werd. Wel het seizoen 1923/24, waarin de club zevende eindigde. Historisch gezien een zeer belangrijk seizoen, aangezien het Bosuilstadion toen voor het eerst in gebruik werd genomen. Dat werd niet gevierd met een goed eindresultaat in de competitie, zoals net vermeld. Anders was het in het seizoen daarop, toen Antwerp tweede eindigde op zes punten van stadsrivaal Beerschot. The Great Old was nochtans als beste aan het seizoen begonnen, maar halfweg de competitie verloor de club de controle over het kampioenschap. Désiré Bastin, die op 16 juni 1929 de score opende in de testwedstrijd tegen Beerschot die Antwerp zijn eerste landstitel opleverde, was er in 1924/25 ook al bij.

Standard Luik (3): vicekampioen in 1926, 1928, 1936 – kampioen in 1958
In het eerste decennium van de Belgische voetbalcompetitie kwam Standard niet in het verhaal voor. Op het hoogste niveau niet althans: het huidige stamnummer zestien, dat in 1898 boven het doopvont werd gehouden, speelde eerst in de Luikse juniorenreeks en dan een aantal seizoenen op het tweede niveau. In het seizoen 1909/10 debuteerde de club op het hoogste niveau met een knappe vijfde plaats. Het werd meteen het beste vooroorlogse resultaat, want verder dan een negende plaats kwamen de Luikenaars vervolgens niet meer.

Door hun voorlaatste plaats in het seizoen 1913/14 speelde Standard na afloop van de Eerste Wereldoorlog weer even op het tweede niveau. In 1921 promoveerde de club definitief naar het hoogste niveau, goed voor een onafgebroken reeks van nu al 103 jaar – and counting –, geen enkele Belgische club deed ooit beter. Ook dit eersteklasse-avontuur startte Standard met een vijfde plaats. Dat resultaat werd geëvenaard in het seizoen 1923/24 en twee seizoenen later zelfs stevig verbeterd: de Rouches eindigden toen tweede, met nauwelijks twee punten meer dan CS Brugeois dat dat seizoen lang eerste had gestaan maar uiteindelijk pas vijfde eindigde. Het verschil met kampioen Beerschot was wel groter, namelijk zeven punten. Enkele bekende namen uit de eerste vicekampioenenploeg van Standard waren toenmalig internationals Maurice Gillis en Georges Ditzler en de latere nationale topschutter Lucien Fabry.

In het seizoen dat Fabry topschutter werd (1926/27) eindigde Standard derde, op drie punten van kampioen CS Brugeois. Een seizoen later eindigde Standard opnieuw tweede, met maar liefst elf punten minder dan kampioen Beerschot. Na zes speeldagen hadden Beerschot, Lierse (10 punten) en Standard (9 punten) een bonus op de eerste achtervolgers, die maximaal zes punten hadden. Lierse loste uiteindelijk de rol, waarna Standard een heel seizoen achter het autoritaire Beerschot bleef hangen. De Rouches konden hun sterke seizoen niet bevestige: in de vier seizoenen daarop eindigden ze respectievelijk twaalfde, tiende en tweemaal negende. De gestage groei kreeg een flinke scheut met een vierde plaats in het seizoen 1932/33, een derde plaats in het seizoen daarop en, na een faux pas in het seizoen 1934/35, een nieuwe vicelandstitel in 1935/36. Het was de generatie van Jean Capelle, Jean Brichaut en co die dat seizoen op drie punten van Daring eindigde.

U begrijpt: bij Standard kon het in de beginjaren al het ene jaar alles zijn en het andere jaar niks, of omgekeerd. Neem nu de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog: in het seizoen 1947/48 eindigden de Rouches drie punten boven de degradatiestreep, in het seizoen daarop samen met Berchem Sport op drie punten van kampioen Anderlecht, en in het seizoen 1949/50… opnieuw slechts drie punten boven de degradatiestreep. Om kop noch staart aan te krijgen. Wie in de zomer van 1957 een gokje waagde op een eerste landstitel van Standard, was dus in wezen zo gek nog niet, hoewel ze in het seizoen 1956/57 pas zevende eindigden. En kijk: in het expojaar 1958 was het na vijf landstitels voor RFC Liégeois eens aan Standard om Luik trots te maken met een landstitel. Antwerp was dat seizoen een stevige concurrent en eindigde net als Standard met 44 punten, maar de ploeg van trainer verloor één wedstrijd minder dan The Great Old.

KAA Gent (2): vicekampioen in 1954 en 2010 – kampioen in 2015
Een vicelandstitel is niet altijd de voorbode van een bloeiende periode. Na de tweede plaats in het seizoen 2019/20, dat weliswaar vroegtijd werd afgebroken vanwege de coronapandemie, beleefden de Buffalo’s een turbulent seizoen – met Kerstmis zaten ze in de Ghelamco Arena een de vierde trainer van het seizoen. Het driekeizerjaar 2012/13 (Trond Sollied, Bob Peeters, Victor Fernández) viel pal tussen de tweede plaats in het seizoen 2009/10 en de eerste landstitel in het seizoen 2014/15.

Om de eerste piekperiode van Gent in de jaren ’60 te kaderen, springen we eerst even terug naar de start van de Tweede Wereldoorlog. August “Staf” Pelsmaeker, als speler meervoudig kampioen met Beerschot, was al sinds begin jaren ’30 trainer van ARA La Gantoise, zoals stamnummer zeven toen heette. Na een tiental speeldagen – gemiddeld, want het aantal gespeelde wedstrijden schommelde tussen acht en elf – stonden de jongens van Pelsmaecker derde, op twee punten van leider Lierse. Hoe de Buffalo’s het er dat seizoen vanaf zouden hebben gebracht zullen we nooit weten, want door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd de competitie vroegtijdig stopgezet. Die derde plaats bleef tot een klein decennium het beste resultaat uit de clubgeschiedenis. In de seizoenen 1953/54 en 1954/55 eindigde Gent respectievelijk derde en tweede… al was de landstitel in dat bronzen seizoen 1953/54 dichterbij dan in het zilveren seizoen daarop.

Voor aanvang van het seizoen 1953/54 waren er weinig verwachtingen, want hoewel de negende plaats het niet meteen doet vermoeden, de Buffalo’s moesten in het seizoen 1952/53 stevig knokken voor het behoud. Toen het seizoen 1953/54 werd aangevat met 2 op 4, was er geen mens die in de Gentenaars een titelkandidaat zag. Maar kijk: op zondag 4 oktober 1953 kwam stamnummer zeven dan toch op kop te staan na een 2-0-zege tegen RFC de Liège. De doelpunten werden gescoord door Norbert Van Huffel en Maurice Willems, maar dé uitblinker van de wedstrijd was Freddy Chaves d’Aguilar, 35 jaar inmiddels maar nog steeds belangrijk in de ploeg van de Franse trainer Jules Vandooren. Chaves maakte zijn officiële debuut voor de Gantoise in het seizoen 1935/36, toen de club kampioen werd in Tweede klasse.

Met onder andere ook Armand “Mance Seghers”, André Van Herpe, Firmin De Coster, Norbert Delmulle, André Pérot en Raoul Rixhon (als vervanger van de langdurig gekwetste Richard Orlans) in de ploeg bleef de Gantoise wekenlang op kop staan, ondanks het vele puntengemors: na de 3-6-zege op Union speelt Gent gelijk tegen Antwerp (4-4), Beerschot (1-1) en Berchem (1-1). Tussen de 3-1-zege tegen Lierse (15 november) en 4-0-zege tegen Standard (13 december) speelt Gent tweemaal gelijk (1-1 op Charleroi en thuis tegen Lyra). Ook de concurrentie morst met de punten, waardoor Gent op 20 december als leider naar regerend vicekampioen Anderlecht trekt. Acht minuten voor tijd staat het 2-0 voor paars-wit, maar via Willems en Pérot wordt het toch nog 2-2. Gent blijft drie punten voorsprong behouden op Anderlecht, dat de tweede plaats deelt met de twee Mechelse clubs. Een week later won de Gantoise met 4-2 van Racing Mechelen, waardoor de club de heenronde als enige club ongeslagen afsloot. Gent ging de jaarwisseling in met drie punten voorsprong op FC Malinois en vier op het paars-witte duo Anderlecht-Beerschot.

In het kalenderjaar 1954 ging de Gantoise lekker door: na de 4-2-zege tegen Berchem Sport een paar dagen na Nieuwjaar gingen de jongens van Jules Vandooren twee weken op rij winnen in Lier, eerst bij Lierse (3-5) en dan bij Lyra (0-1). De voorsprong op Anderlecht, tegenstander op 24 januari, groeide uit tot vijf punten.

Beerschot VAC (1): vicekampioen in 1901 – kampioen in 1922
Beginnen in stijl heet dat dan. Op 3 september 1899, binnenkort 125 jaar geleden, richtte Alfred Grisar samen met enkele vrienden de omnisportclub Beerschot op. Een jaar later sloot de club zich aan bij de voetbalbond, waardoor de club meteen kon deelnemen aan de competitie – zo simpel was dat toen nog. De Antwerpenaars walsten meteen doorheen de competitie, mede dankzij de vele goals van Herbert Alfred Potts. Beerschot startte met een 10-2-zege tegen CS Brugeois, het huidige Cercle Brugge. Slechts twee competitiewedstrijden gingen verloren, telkens tegen een Brusselse club – niet verwonderlijk als je weet dat vier van de negen eersteklassers toen uit de hoofdstad kwamen –: op de derde competitiespeeldag verloor de club bij Athletic and Running Club de Bruxelles, twee weken later was Léopold FC in eigen huis te sterk. Tegen Racing Club de Bruxelles, dat uiteindelijk met één punt voorsprong kampioen werd, speelde Beerschot gelijk. De latere kampioen had eerste achtervolger Beerschot dus niet kunnen kloppen, maar het is zoals Hugo Broos decennia later zei: de club die het minst morst tegen de kleintjes, wordt kampioen.

In de jaren nadien werden een aantal competitieformules uitgetest, zoals beschreven staat in het bovenstaande verhaal van Club Brugge. Voor de Eerste Wereldoorlog eindigde Beerschot nog eenmaal op het podium: in het seizoen 1902/03 eindigde de club tweede in de Eere Afdeeling A, waardoor ze samen met Léopold FC en het duo Union Sint-Gillis-Racing Club de Bruxelles (de top twee van de Eere Afdeeling B) naar de eindronde mochten. Daarin eindigde Beerschot derde, weliswaar met evenveel punten als nummer twee Union.

Toen Beerschot in het seizoen 1920/21 derde eindigde, werkte men alweer terug met een round-robinsysteem – tweemaal tegen elke club, zoals in onze huidige reguliere competitie het geval is. De vele goals van topschutter Ivan Thys – vader van Guy – ten spijt, eindigde Beerschot dat seizoen op ruime afstand van kampioen Daring. Een jaar later was het wél prijs voor Beerschot, dat weliswaar met evenveel punten als Union eindigde. Er was een testwedstrijd in het Jules Ottenstadion nodig om beide clubs van elkaar te onderscheiden. Beerschot haalde het met 2-0 na goals van Ivan Thys en Arthur Van Meenen. Geen achtste titel voor Union, wel een eerste voor Beerschot, dat alle zeven zijn landstitels tijdens het interbellum zou veroveren.

Union (1): vicekampioen in 1903 – kampioen in 1904
Wat KRC Genk op het einde van de eeuw zou doen, deed Union Sint-Gillis in het begin van de eeuw al: een jaar na de eerste vicelandstitel de eerste landstitel veroveren. Het voetballandschap in België zag er in de eerste piekperiode van Union weliswaar helemaal anders uit dan toen Genk hoogtij begon te vieren. Zoals u hierboven al kon lezen, werkte men in België in het seizoen 1902/03 nog met twee poules, waarvan telkens de eerste twee doorstootten naar de eindronde. Er werd niet met een halvering van de punten gewerkt, maar met een volledige schrapping: alle vier de ploegen begonnen weer met nul punten aan de nacompetitie. Léopold FC, dat 13 op 16 had gehaald in de ‘reguliere competitie’, stortte helemaal in en sprokkelde in de nacompetitie slechts één schamel punt. Union, dat in de Eere Afdeeling B net als Racing Club de Bruxelles 12 op 16 had behaald, eindigde in de nacompetitie tweede, met vijf punten minder dan Racing. Beerschot haalde net als Union 6 op 12, waardoor er een testwedstrijd georganiseerd werd om de nummer twee van de competitie te bepalen. Union won met 4-1.

In het seizoen 1903/04 werd Union met eenzelfde systeem kampioen. In de Eere Afdeeling A waren ze de beste van niet vijf clubs, zoals Léopold FC en Racing Club de Bruxelles in het seizoen daarvoor, maar van zeven clubs. De voorsprong op de nummer twee, FC Brugeois, bedroeg vijf punten. In de eindronde was er geen fotofinish nodig: Union won alle zes zijn wedstrijden tegen FC Brugeois, Léopold FC en Racing Club de Bruxelles, waardoor Les Apaches met een straatlengte voorsprong kampioen werd.

Daring Club de Bruxelles (1): vicekampioen in 1909 – kampioen in 1912

Net als bij Union zat er bij Daring Club de Bruxelles niet veel tijd tussen de eerste vicelandstitel en de eerste landstitel. Het voormalige stamnummer twee zag in 1895 al het levenslicht, maar pas in 1903 nam de club deel aan de competitie. De club begon met een derde plaats… in de Eere Afdeeling B, bestaande uit vijf clubs. Derde worden met acht punten, il faut le faire. Dan is de vijfde plaats in het seizoen daarop, met een round-robinsysteem, misschien iets waardevoller. Wie enkel naar de posities kijkt, ziet wel een daling van de derde naar de vijfde plaats… die weliswaar gepaard ging met een verdriedubbeling van de punten.

Maar ja, het ene seizoen is het andere niet. In het seizoen 1906/07 werd Daring vierde met 23 punten, elf minder dan kampioen Union die 34 op 36 had gehaald. Twee seizoenen later, toen het aantal clubs in de competitie was opgetrokken van tien tot twaalf, sprokkelde Daring ook 34 punten. Dat is 34 op 44, u begrijpt. Niet genoeg voor de titel, want Union pakte 41 op 44, goed voor een vierde landstitel op rij. Daring moest voorbij Union zien te geraken om die eerste landstitel te veroveren, zo lijkt het wel. In het seizoen 1907/08, toen Racing Club de Bruxelles zijn zesde en laatste landstitel veroverde, haalde Daring nauwelijks meer dan de helft van het puntentotaal van Union (18 op 36 vs 30 op 36). In de twee seizoenen daarop ging de titel weer naar Union, met Daring in het seizoen 1908/09 als vicekampioen. In het seizoen 1910/11 kwam Daring het dichtst bij Union: allebei sprokkelden ze 27 punten, acht minder dan kampioen CS Brugeois. Het seizoen daarop was het aan Daring om de oppergaai te veroveren. Na de stralende kampioen kwam… u raadt het al, Union.

KV Mechelen (1): vicekampioen in 1931 – kampioen in 1943
Swingen onder Besnik Hasi en ei zo na de Champions Play-offs halen? Natuurlijk waren dat niet de hoogdagen van de club. Daarvoor kijken de meesten naar de jaren ’80, waarin de club naast een paar landstitels en vicelandstitels ook de Europacup II won. Oh ja, en de Beker van België in 1987 natuurlijk, die toegang gaf tot die Europacup II. Ook enkele decennia eerder had de club al glorietijden gekend. In het seizoen 1930/31, waarin RFC Malinois tweede werd op drie punten van kampioen Antwerp, was er nog geen sprake van Bert De Cleyn, de man naar wie allicht het vaakst verwezen wordt als we het over het zwart-wittijdperk van Malinois hebben. August Hellemans, WK-ganger in 1930 en 1934, was er toen wél al bij.

Antwerp had zijn tweede landstitel deels te danken aan zijn goede start: na zeven speeldagen prijkte het als enige bovenaan met 14 op 14, Malinois had slechts de helft van dat puntentotaal bijeengesprokkeld. Twee speeldagen later was die 14 op 14 van Antwerp plots een 14 op 18 geworden en was Malinois naar de derde plaats geklommen. Enkel Berchem Sport (12 op 18) deed beter dan de 11 op 18 van de Mechelaars. Vlak voor Kerstmis leed Antwerp tegen Malinois zijn derde puntenverlies op rij (1-1), maar Berchem Sport kon niet profiteren: het speelde zelf 2-2 gelijk tegen Anderlecht. Lierse won wél, waardoor de Pallieters samen met Berchem Sport op twee punten van Antwerp kwamen te staan. Antwerp herpakte zich daarop door drie keer op rij te winnen, maar het bleef de hete adem van de achtervolgers voelen, ditmaal Daring (op drie punten), Berchem Sport (op vier punten) en RFC Malinois (op vijf punten). Antwerp verloor nog geregeld punten – het ging zelfs verliezen bij godbetert Racing FC Montegnée –, maar telkens ging er ook wel de ene of de andere achtervolger in de fout.

Op 12 april 1931, een week na Pasen, kwam de competitie op een razend spannend punt: Berchem Sport en Antwerp hielden elkaar in bedwang, terwijl Malinois met 0-7 ging winnen bij Lierse. Daardoor kwamen Malinois en Berchem Sport op één punt van Antwerp te staan, en dat met nog maar drie wedstrijden te gaan. Zelfs Beerschot, vierde op twee punten van Antwerp, had nog een behoorlijke kans op de titel. Een week later wonnen Antwerp en Malinois, maar verloor Berchem Sport punten. Antwerp-Malinois-Berchem op 33-32-31, met nog twee speeldagen te gaan. Een week later nam Malinois de koppositie over nadat het zelf won van Anderlecht… en Antwerp zijn wedstrijd tegen Union Sint-Gillis zag uitgesteld worden. Op 10 april gooiden de Mechelaars evenwel hun eigen ruiten in: terwijl Antwerp met 2-5 ging winnen bij stadsrivaal Racing Mechelen, nam Antwerps stadsrivaal Beerschot de maat van Malinois (2-1). De Mechelaars finishten met 34 punten, Antwerp stond met nog één inhaalwedstrijd te gaan op 35 punten.

Na een decennium in de schaduw pakte Malinois zijn eerste titel op een speciaal moment: midden in de Tweede Wereldoorlog. Na een tiende plaats in het seizoen 1941/42 was het een jaar later prijs voor De Cleyn en co. Hoe speciaal het seizoen ook geweest moet zijn gezien de oorlogssituatie, het slotakkoord was ongetwijfeld het meestspectaculaire. Enfin, niet echt het definitieve slotakkoord, maar wel de kampioenenwedstrijd tegen Racing Club de Bruxelles op 18 april 1943. Malinois won met 7-1, met dank aan… zeven goals van Bert De Cleyn. Tot de kampioenenploeg behoorden onder andere ook Victor ‘Torreke’ Lemberechts en Henri Coppens.

RSC Anderlecht (1): vicekampioen in 1944 – kampioen in 1947
In 1966 beweerde John Lennon tijdens een interview dat The Beatles populairder waren dan Jezus Christus. Het jaar 1966 is ook het jaar waarin RSC Anderlecht stadsgenoot Union Sint-Gillis definitief van de troon stootte als recordkampioen. Dat gebeurde met een derde landstitel op rij. Trainer Pierre Sinibaldi schreef hiermee allesbehalve geschiedenis, want ook onder Bill Gormlie was paars-wit al eens drie keer op rij kampioen geworden (1954-1956). De Engelsman had eerder al eens een landstitel toegevoegd aan een rijtje van twee onder de Ierse coach Ernest Smith (1949-1951).

Wie een blik werpt op de erelijst van onze vaderlandse competitie, zal vóór de Tweede Wereldoorlog evenwel geen spoor terugvinden van Anderlecht. Paars-wit was in het interbellum inderdaad een liftclub. Tussen de historische promotie in 1921 en de degradatie in 1931 veranderde de huidige recordkampioen zes keer van divisie: degradatie in 1923, promotie in 1924, degradatie in 1926, promotie in 1927, degradatie in 1928, promotie in 1929. Na de degradatie in 1931 bleef de club nog vier seizoenen op het hoogste niveau spelen, om vervolgens in 1935 definitief naar het hoogste niveau te promoveren. In die resterende vier seizoenen tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog – of vijf, als je het onafgewerkte seizoen 1939/40 erbij neemt – was het ook niet veel soeps: verder dan een vijfde plaats in het seizoen 1938/39 kwamen de hoofdstedelingen niet.

Enkele jaren voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog hadden Union Sint-Gillis en Daring Club de Bruxelles hun (voorlopig) laatste landstitel veroverd, in respectievelijk 1935 en 1937. Er ontstond een machtswissel in de hoofdstad, mede door de recordtransfer van Jef Mermans, voor wie Anderlecht in volle oorlog een recordsom van 125.000 Belgische frank overmaakte aan Tubantia Borgerhout. Een bom geld in die tijd, maar Anderlecht kreeg meteen waar voor zijn geld: De Bombardier trok meteen alle registers open, waardoor Anderlecht na een zesde plaats in het seizoen 1942/43 tweede eindigde in het seizoen daarop. In het seizoen van de eerste landstitel, het seizoen 1946/47, werd Mermans voor het eerst nationaal topschutter.

KRC Genk (1): vicekampioen in 1998 – kampioen in 1999
In de eerste seizoenen na de fusie van KFC Winterslag en Thor Waterschei in 1988 kende KRC Genk groeipijnen. Niet alleen om beide kampen tot één geheel te laten evolueren, maar ook qua sportieve prestaties. In het debuutseizoen 1988/89 eindigde de club meteen laatste in Eerste klasse. De club keerde meteen terug via de eindronde, maar bleef in de vier daaropvolgende seizoenen hangen in de rechterkolom, met een nieuwe degradatie in 1994 als gevolg. Ditmaal duurde de herbronning in Tweede klasse twee seizoenen. De club promoveerde in 1996 onder leiding van trainer Aimé Anthuenis weer naar Eerste klasse. Na een eerste eindresultaat in de linkerkolom (achtste in 1996/97) speelde de club een superseizoen 1997/98. De club klom in januari 1998 naar de tweede plaats en gaf die niet meer af. Club Brugge eindigde met een straatlengte voorsprong kampioen, maar Genk was wel een frisse tweede. Blauw-zwart kreeg op 16 mei 1998 trouwens een oplawaai van de Limburgers: 4-0 werd het in de bekerfinale.

dag op dag een jaar na die eerste bekerzege zette KRC Genk de kroon op het werk door op het veld van KRC Harelbeke zijn eerste landstitel te veroveren. Met Aimé Anthuenis nog steeds aan het roer en topschutters als Souleymane Oulare en Branko Strupar aan het kanon nam Genk eind januari 1999 definitief de leiding over van Club Brugge. Het werd weliswaar nog spannend toen Anderlecht na een verschrikkelijke seizoensstart nog een remonte inzette. Op de voorlaatste speeldag kwam paars-wit met 2-5 winnen in het Thyl Gheyselinckstadion en stonden Jean Dockx en co plots op drie punten van Genk, dat van geluk mocht spreken dat Club Brugge dat weekend de boot inging bij Excelsior Moeskroen. Genk bleef hierdoor twee punten voorsprong hebben op blauw-zwart, waardoor de 1-2-zege in het Forestiersstadion genoeg was voor een eerste Limburgse landstitel.

Zij werden kampioen en dan pas vicekampioen

  • RFC de Liège, uiteraard. De Luikse club, sinds dit seizoen uitkomend in Eerste klasse B, schreef in 1896 geschiedenis door de eerste Belgische landskampioen te worden. In de 19e eeuw deden de Luikenaars er nog twee landstitels bij (1899 en 1899). Een halve eeuw later kende stamnummer vier een nieuwe piekperiode, met de landstitels in 1952 en 1953 als gevolg. In het seizoen 1958/59 greep RFC de Liège net naast een zesde landstitel: Anderlecht eindigde het seizoen met één puntje meer en werd zo voor de achtste keer kampioen. Het seizoen 1960/61 is vooralsnog het laatste waarin de Luikenaars tweede eindigden, na eerder ook in de seizoenen 1896/98 en 1958/59. In 1961 eindigde stadsgenoot Standard eerste met vier punten meer.
  • De R van het huidige RWDM, Racing Club de Bruxelles, was de tweede Belgische kampioen. In het allereerste seizoen van onze vaderlandse competitie was de club uit Ukkel vierde geworden, met twee punten minder dan de eerste vicekampioen Antwerp FC en één punt minder dan het allang verdwenen Sporting Club de Bruxelles. In het seizoen 1897/98 eindigde Racing Club de Bruxelles als titelverdediger tweede na RFC de Liège, dat de Brusselaars voorbijstak als recordkampioen door een tweede landstitel aan zijn palmares toe te voegen.
  • Voor hetzelfde geld waren ze opgericht als onderafdeling van een plaatselijke turnkring, maar het was wel degelijk als autonome voetbalclub dat Lierse SK in 1906 boven het doopvont werd gehouden. De Pallieters bereikten pas in 1927 de hoogste divisie. De club maakte geen onaardige indruk in zijn debuutseizoen met een knappe vijfde plaats. Na twee seizoenen in de buik van het klassement volgde in het seizoen 1931/32 de kroon op het werk: op 10 april 1932 werd Lierse landskampioen na een 5-0-zege tegen FC Turnhout. De legendarische Bernard Voorhoof – tot 2017 medetopschutter aller tijden van de Rode Duivels – stond er toen al in de spits, maar de meeste goals kwamen in het eerste kampioenenseizoen van Bernard Delmez. Ook in het seizoen 1934/35 was Lierse outstanding, maar tegen Union 60 was toen niet veel te doen.

Zij werden kampioen, maar nooit vicekampioen

  • Wie weet wat was er gebeurd mocht Cercle Brugge in het seizoen 1903/04 naar de eindronde van de Eere Afdeeling was doorgestroomd. De Vereniging eindigde dat seizoen op een gedeelde tweede plaats in de Eere Afdeeling A, samen met… FC Brugeois, het huidige Club Brugge. Een testwedstrijd in Brussel was nodig om beide Brugse clubs van elkaar te onderscheiden. FC Brugeois haalde het en eindigde in de eindronde, een compleet nieuwe competitie, achter kampioen Union Sint-Gillis en vicekampioen Racing Club de Bruxelles. Dan was de derde plaats in het seizoen 1909/10 iets eervoller: de twaalf eersteklassers werkten gewoon allemaal een heen- en terugwedstrijd tegen elkaar af, zoals dat nu in de reguliere competitie het geval is. Cercle eindigde op twee punten van Union Sint-Gillis en FC Brugeois, die een testwedstrijd nodig hadden om te bepalen wie de kampioen van 1910 zou worden. De kampioen van 1911, dat werd Cercle Brugge, dat met één punt meer eindigde dan zijn blauw-zwarte stadsgenoot.
    Cercle werd ook nog kampioen in de jaren 1927 en 1930. Vicekampioen, dat ontbreekt wel op het palmares van stamnummer twaalf. Er kan gerust geruild worden met derde plaatsen, want Cercle heeft wel wat bronzen medailles in zijn prijzenkast staan: in 1914, 1923, 1924, 1928 en 1933 was Cercle de op twee na beste club van het land. Het beste naoorlogse resultaat is de vierde plaats in het seizoen 2007/08 onder Glen De Boeck. Tenzij Miron Muslic nog gek doet tijdens deze Champions’ Play-offs.
  • Het Belgisch voetbal is doorspekt van fusies, met RWDM als snelste succesverhaal. In het eerste seizoen na de fusie tussen Racing White en Daring Molenbeek in 1973 eindigde RWDM al op twee punten van kampioen Anderlecht. Net als Antwerp, dat ondanks een gelijk aantal punten weliswaar als vicekampioen eindigde. Ach, dan grijpen we maar de oppergaai, dachten ze in Sint-Jans-Molenbeek, waarna Johan Boskamp en co in het seizoen 1974/75 de beste van twintig clubs waren. RWDM eindigde in het post-kampioenenseizoen opnieuw derde, net als in het seizoen 1979/80. Na de degradaties in 1984 en 1989 eindigde de club nog één keer in de top vijf: onder René Vandereycken eindigden de Molenbekenaars vierde. Vicelandskampioen, dat zat er evenwel nooit meer in voor stamnummer 47. In 2002 verdween de club, die vorig jaar onder een ander stamnummer terugkeerde op het hoogste niveau, van het toneel.
  • Met een back-to-backpromotie maakte KSK Beveren, dat vóór 1966 nog nooit op het tweede niveau had gevoetbald, in 1967 zijn intrede op het hoogste niveau. Toen de club na vijf seizoenen weer naar Tweede klasse degradeerde, hadden ze mooie tijden gekend op de Freethiel. Een zesde plaats in het seizoen 1968/69 en een vijfde plaats in het seizoen daarop, wat Europees voetbal tegen Valencia CF en Arsenal FC opleverde. Maar het beste moest toen natuurlijk nog komen. Na een jaartje herbronnen in Tweede klasse eindigden de Waaslanders respectievelijk tiende (op zestien clubs) en twaalfde (op twintig clubs). Na een zesde plaats in het seizoen 1975/76 was er een dertiende plaats, gevolgd door een vijfde plaats én bekerwinst in het seizoen 1977/78. Een jaar na de eerste Beker van België veroverde Beveren ook zijn eerste landstitel.
    Tussen de eerste en tweede landstitel, die in het seizoen 1983/84 behaald werd, eindigde Beveren nooit hoger dan de vierde plaats. Na de landstitel van 1984 eindigde Beveren driemaal op rij vijfde, daarna slaagden de Waaslanders er driemaal op rij niet in om in de linkerkolom te eindigen. Dat leverde in 1990 een tweede degradatie uit het hoogste niveau op. Beveren kwam opnieuw meteen terug, maar slaagde er nooit meer in om hoger te eindigen dan de achtste plaats. Het laatste seizoen van KSK Beveren in Eerste klasse was het seizoen 2006/07.

Zij werden vicekampioen, maar nooit kampioen

  • Leopold CB (1901/02)
  • Olympic Charleroi (1946/47)
  • Berchem Sport (1949/50, 1950/51, 1951/52)
  • Racing Mechelen (1951/52)
  • Beeringen FC (1963/64)
  • STVV (1965/66)
  • Sporting Charleroi (1968/69)
  • KSC Lokeren (1980/81)
  • Zulte Waregem (2012/13)