De eerste jaren van zijn jeugdopleiding genoot Pierchel Kimpiam in het Brusselse, maar als tiener trok hij zijn stoute schoenen aan en schreef hij clubs van buiten zijn comfortzone aan. RFC Union La Calamine hapte toe, waarop Kimpiam op internaat trok. Een kleine tien jaar later heeft Kimpiam enkele mooie clubs mogen bijschrijven op zijn cv, maar zelden kon hij van het tweede elftal van het eerste elftal doorstromen. Het is maar een van de paar leidraden in het verhaal van de 28-jarige linksback, die aanvankelijk geen plekje kon versieren bij zijn huidige club FCSR Haguenau maar op een dag toch telefoon kreeg.
Pierchel, jij bent een van de vele Belgische voetballers die hun geluk zijn gaan beproeven in het buitenland. Jij draagt sinds dit seizoen het shirt van FCSR Haguenau. Vertel.
“Dat is een Franse club uit Haguenau, een gemeente in de Elzas op zo’n twintig minuten rijden van Straatsburg. Laten we zeggen dat Racing Strasbourg en FCSR Haguenau de twee grootste clubs uit de streek zijn. Het eerste elftal van Haguenau speelt in de Championnat National 2, maar ik speel voor het tweede elftal in de Régional 1. Dat moet qua niveau zowat overeen komen met de Derde afdeling in België.”
Op de voetbalpiramide staat het één niveau lager, dat is het zesde niveau in Frankrijk. Maar goed, vertel me eens hoe een 28-jarige Belg bij het tweede elftal van Haguenau is geraakt.
“Alles is begonnen bij RFC Evere (een club die in 2012 opging in een fusieclub die thans als Crossing Schaarbeek in de Tweede afdeling speelt, red.). Daar heb ik van 2007 tot 2010 gespeeld. Daarna ben ik bij KV Woluwe-Zaventem gaan voetballen. Die speelden in die periode nog in Derde klasse, en voor mij was het als inwoner van Evere niet ver: met de bus van De Lijn stond ik er in tien minuten. Woluwe-Zaventem had een zeer goede jeugdopleiding, met regionale, provinciale en nationale jeugdploegen. Of ik met jongens heb samengespeeld die nadien zijn doorgebroken? Uit het blote hoofd kan ik niet meteen iemand opnoemen. Er zijn wel veel jongens uit die periode vrij vroeg gestopt.”
“Na Woluwe-Zaventem zat ik even zonder club, in die periode heb ik even bij Academie KFA gespeeld. Die voetbalacademie werd geleid door een voormalige jeugdtrainer van Anderlecht. Geregeld zakten er jongens van profclubs af naar daar om wat bij te trainen. Steve, die de academie leidde, nam ook spelers zonder club aan en versierde links en rechts tests voor die jongens. Ik ben niet zo lang bij die academie gebleven.”
Is het daar dat RFC Union La Calamine je heeft opgepikt? Dat is de eerste club die ik van je gevonden heb.
“Neen, ik heb in het seizoen 2015/16 nog even bij Renaissance Club Schaerbeek (het latere FC Schaerbeek, red.) gevoetbald. Daarna heb ik inderdaad wel het roer volledig omgegooid. La Calamine, dat was een heel avontuur. Na Schaarbeek had ik mails in het rond gestuurd om ergens een kans te kunnen krijgen. La Calamine had me uitgenodigd voor een test bij de beloften. Dat was natuurlijk wel ver van huis, maar ik heb het me er toch op gewaagd. De test, die op het einde van het seizoen plaatsvond, is succesvol verlopen. Ik ben er begonnen bij de beloften, maar op het einde van het seizoen heb ik toch drie wedstrijden in het eerste elftal mogen spelen: tegen Acren Lessines, La Louvière Centre en RWDM.”
La Calamine, bij Nederlandstaligen beter bekend onder de naam Kelmis, ligt niet bij de deur. Ik vermoed dat je niet alle dagen op en af ging vanuit Evere?
“Toen ze me vertelden dat ze me graag wilden opnemen in hun team, ben ik op zoek gegaan naar een internaat in de buurt. Dat internaat lag vlak bij het station van Verviers – je moest de deur maar uitstappen en je was er al bijna. Ik ging naar de training samen met een paar jongens die in dezelfde situatie zaten als ik. We hadden destijds een degelijk ploegje, alsook een goede trainer, Xavier Altomare.”
“Mijn wedstrijden vonden vaak plaats op vrijdagavond. Als de match vrij vroeg viel kon ik nog de laatste trein naar Brussel nemen, maar als het te laat was om nog een trein te nemen – Verviers-Brussel was toch een rit van anderhalf of twee uur –, sliep ik bij een teamgenoot die in Verviers woonde en nam ik op zaterdag de eerste trein naar Brussel. Lang bleef ik nooit thuis, want op maandagochtend moest ik om zes uur ‘s ochtends de trein nemen om tijdig op school te zijn in Verviers.”
Dat klinkt als iemand die maar één doel voor ogen had: profvoetballer worden.
“Dat is inderdaad altijd mijn droom geweest: profvoetballer worden, iets doen in het voetbal. Als je al die opofferingen ondergaat, blijf je daar natuurlijk voor gaan. Ook al is het niet altijd gemakkelijk geweest. Op het einde van het seizoen 2017/18 is de club laatste in zijn reeks geëindigd (voorlaatste als je White Star Bruxelles meetelt dat dat seizoen forfait gaf, red.) en gezakt naar Derde klasse amateurs. Veel jongens zijn toen vanuit het beloftenelftal naar de A-kern doorgestroomd, maar ik niet. Ik wist dat mijn verhaal bij La Calamine voorbij was, want met het internaat werd het stilaan lastig. Het was tijd voor iets anders bij mij.”
Dat nieuwe hoofdstuk, dat was nog niet Haguenau, zoals sommige statistiekenwebsites aangeven?
“Neen, in 2018 kwam KSK Ronse op mijn pad. Ik had daar een neef voetballen bij de beloften, die af en toe mocht opdraven bij de eerste ploeg. Mijn neef (Frésy Kalunga-Beni, thans speler en jeugdtrainer bij de Brusselse eersteprovincialer Nseth Berchem, red.) zei me dat hij een goed woordje voor mij zou doen, waarop ik mijn koffers neerzette… bij de beloften van Ronse. Je ziet, ik ben vaak bij de beloften begonnen, hè. Het is zo’n beetje de rode draad van mijn carrière. Dat, en het feit dat ik altijd alles zelf heb geregeld. Ik heb altijd zélf mijn cv en wat video’s doorgestuurd. Ik mikte natuurlijk op het eerste elftal van Ronse, waardoor mijn verblijf daar uiteindelijk niet echt een groot succes is geweest. Ach, ik zag het als een springplank. Voor volgend seizoen vind ik iets beters, hield ik mezelf voor.”
“Mijn volgende club was Olympic Charleroi. Opnieuw hetzelfde verhaal: na succesvolle test werd ik toegelaten tot het beloftenelftal van de club. Bij Olympic Charleroi kon ik weliswaar alle dagen trainen, waardoor het opeens wat serieuzer werd. Ik heb zelfs een paar keer met het eerste elftal meegetraind, maar de wedstrijdselectie heb ik nooit gehaald. Bij Olympic Charleroi heb ik wel wat geleerd: de trainer zag in mij eerder een centrale verdediger, terwijl ik daarvoor een linksback was. Ik heb daar dus een tijdje centraal in de verdediging gespeeld. Dat seizoen schopte ik het zelfs tot kapitein van de beloftenploeg. Olympic Charleroi was al bij al een goede ervaring, hoewel ik mijn doel – het eerste elftal halen – niet behaald heb.”
Misschien als de coronacrisis toen niet was uitgebroken…
“Dat heeft mijn carrière inderdaad weer een heel andere wending gegeven. Plots moesten we allemaal thuisblijven. Ik heb op m’n eentje mijn conditie onderhouden. Lopen, lopen, altijd hetzelfde. Het was hopen dat er iets concreets uit de bus viel, maar dat kwam maar niet. Daarop ben ik naar Londen getrokken, waar ik familie had wonen. Ik stootte er via een zoekertje op een interessant project waarbij je oefenwedstrijden kon spelen onder het oog van scouts van rekruterende clubs. Ik heb me daar goed uit de slag getrokken, maar als het erop aankwam versierden vooral de offensieve spelers contracten. Toen de proefweek voorbij was, bleef ik achter zonder contract. Ik bleef zitten met de vraag: keer ik nu terug naar België of blijf ik hier in Londen zoeken naar een kans? Ik was België op dat moment wat beu, ik had er niet echt een kans gekregen bij een eerste elftal en wilde me graag eens ergens bewijzen.”
“Na die proefweek ben ik op m’n eentje blijven trainen in Londen. Ik bleef een maand bij mijn familie, zonder verandering in mijn situatie. Dan nog een maand, en nog één en nog één. De maanden gingen voorbij, niets veranderde. Uiteindelijk kon ik wel meetrainen met de club waar mijn neefje voetbalde. Spelen mocht niet, want ik had geen werkvergunning. Die heb ik uiteindelijk wel gekregen, waardoor ik ook een job heb gevonden. Ik ben een jaar in Londen gebleven zonder terug te keren naar België. Uiteindelijk vond ik toch een club in Londen: Witham Town, een amateurclub.”
De aanhouder wint, zeggen ze dan.
“Inderdaad. Ik moet zeggen dat het voetbal in Londen op fysiek vlak toch wel van hoog niveau was. Op technisch vlak vond ik het wel beter in België. Ze waren het daar precies niet gewoon om een verdediger te zien met zo’n technische bagage, ze dachten aanvankelijk zelfs dat ik een aanvaller was. (lacht) Maar goed, mijn avontuur bij Witham Town is uiteindelijk op een sisser uitgedraaid. Ik kende er een goede voorbereiding, maar eenmaal de competitie begon kwam ik niet aan spelen toe. Ik zei aan de coach dat hij het mij gerust mocht zeggen als er dingen waren die ik moest verbeteren, ik sta altijd open voor tips. De hulptrainer stelde mij daarop altijd gerust: ik zou spelen, mijn moment zou er zeker komen. Maar het kwam maar niet, waarop ik teruggekeerd ben naar België.”
“Ik ben bij Haguenau terechtgekomen zoals het altijd gegaan is: ik heb zelf mijn cv gestuurd, ben uitgenodigd voor een proefperiode en heb er mijn contract gekregen. Er is trouwens een tijd verstreken tussen mijn eerste contact met de club en mijn effectieve aankomst. Toen ik er voor het eerst ging testen, was de trainer van het eerste elftal tevreden over wat ik had laten zien, maar ik kreeg jammer genoeg de boodschap dat hij al twee linksbacks had. Ook bij de tweede ploeg was er op dat moment geen plekje vrij. Ik ben weliswaar blijven trainen op de terreinen van Haguenau, die voor iedereen toegankelijk waren. Toen de trainer van de tweede ploeg een centrale verdediger nodig had, belde hij me op. Ik had eerder al op die positie gespeeld, dus ik dacht: waarom niet. Zo zie je maar: met God aan je zijde bestaat er niet zoiets als toeval. Een profcontract zat er wel niet in voor mij, waardoor ik nu hier en daar moet bijklussen. Maar ik woon toch maar mooi in de Elzasstreek.”
Jouw officiële debuut in de Championnat National 2 heb je nog niet gemaakt, maar recent heb je wel voor het eerst in de wedstrijdselectie gezeten, las ik.
“Klopt, voor de derby tegen ASC Biesheim begin februari. Op maandag kreeg ik een bericht van de trainer van het tweede elftal dat ik die week zou meetrainen met de eerste ploeg. Dat had ik voordien alleen in het begin van mijn periode bij Haguenau gedaan. Ik heb een week met ‘de grote jongens’ meegedaan en kreeg op vrijdagavond de bevestiging dat ik in de selectie zat voor de derby. Jammer genoeg zaten er geen speelminuten in.”
Ik neem aan dat je in de Régional 1 voldoende derby’s kan spelen?
“Ja, daar zijn het vooral wedstrijden tegen clubs om de hoek. In de Championnat National 2 heb je langere verplaatsingen: er zitten een paar clubs uit de buurt van Parijs in de reeks, zelfs twee clubs uit Corsica.”
Een doorbraak bij Haguenau zou dus voor wat diversiteit kunnen zorgen in jouw verplaatsingen. Hoe zijn jouw toekomstperspectieven daar?
“Mijn contract loopt tot het einde van het seizoen. Ik zeg natuurlijk niet neen tegen een tweede seizoen bij Haguenau. Voorlopig is dat mijn club en blijf ik hard werken en bidden. Niemand weet wat er morgen gebeuren zal. Ik blijf bidden, en ik zal gaan waar Jezus me heen leidt. Hij kan je naar een plek of club gidsen waar iemand Hem nodig heeft.”
