Wat niemand nog verwacht had, is gebeurd: RSC Anderlecht plaatste zich donderdagavond voor de bekerfinale. In zijn zestiende bekerfinale kruisen de Brusselaars de degens met gewestgenoot Union Sint-Gillis, dat voor de vierde keer in de finale staat. Het wordt zowaar de eerste Brusselse derby in een bekerfinale.
Union wordt de zevende opponent van Anderlecht in een bekerfinale. Paars-wit kreeg in z’n eerste vier finales telkens Standard Luik op z’n bord (1965, 1966, 1972, 1973), ook in 1988 en 1989 stond er een Clásico op de affiche voor de finale. Ook Club Brugge was viermaal de tegenstander van Anderlecht in een bekerfinale (1977, 1994, 2015, 2025). Op KAA Gent (2008, 2022) na kwam de recordlandskampioen zijn overige oppontenten slechts één keer tegen in de finale: na Antwerp FC (1975), Lierse SV (1976) en Germinal Ekeren (1997) voegt zich daar nu dus Union bij.
Anderlecht kan op 14 mei z’n tiende Beker van België winnen, enkel Club Brugge doet met twaalf eindzeges beker. Qua aantal gespeelde finales en qua aantal opponenten doet Standard Luik weliswaar beter dan paars-wit. Club Brugge kwam in twintig finales dertien ploegen tegen, namelijk RSC Anderlecht (viermaal), Beerschot VAC, KSK Beveren, Cercle Brugge, Standard Luik (allen tweemaal), Union Sint-Gillis, Daring Club de Bruxelles, KV Mechelen, Germinal Ekeren, KRC Genk, Excelsior Moeskroen, Germinal Beerschot en Antwerp FC. Standard zit voorlopig aan tien opponenten: naast het obligate RSC Anderlecht (zesmaal) was er ook KRC Genk (driemaal), Club Brugge (tweemaal), Racing Mechelen, KV Mechelen, KSC Lokeren, KAA Gent, Charleroi SC, Lierse SK en KVC Westerlo.
Ook voor Union wordt Anderlecht een frisse tegenstander in de finale. In 1913 en 1914 klopten de Unionisten telkens een Brugse ploeg in de finale, respectievelijk het huidige Cercle Brugge en Club Brugge – toen nog CS Brugeois en FC Brugeois. De volgende tegenstander, 110 jaar later, was Antwerp FC. Daar komt nu dus Anderlecht bij.
Ook de drie andere Brusselse clubs die ooit de bekerfinale haalden, namen het daarin nooit op van een gewestgenoot – zelfs niet voor de invoering van de gewesten. Racing Club de Bruxelles nam in de allereerste finale in 1912 de maat van Racing Club de Gand, Daring Club de Bruxelles klopte in 1935 KM Lyra en verloor in 1970 van Club Brugge, Racing White verloor in 1969 dan weer van Lierse SK. Anderlecht en Union zorgen in 2026 dus voor een primeur.
We hebben natuurlijk al geregeld dicht bij een Brusselse derby in de finale gestaan. Een eerste keer in 1913, toen Union zich vlot voor de finale plaatste na een 6-0-zege tegen Racing Club de Bruxelles in de halve finale maar Daring Club de Bruxelles onderuit ging tegen CS Brugeois. Ook in 1914 miste Daring een finale tegen Union door een pittige nederlaag: in de laatste vooroorlogse editie nam FC Brugeois vlot de maat van den Daring.
Dat Anderlecht en Standard in 1966 de laatste twee overgeblevenen waren, komt doordat Racing White in de halve finale tegen de Rouches niet voor een stunt konden zorgen: Marcel Paeschen en Léon Semmeling zorgden voor een 2-0-zege. Een jaar later sneuvelde de Brusselse fusieclub opnieuw tegen Standard, ditmaal na een strafschoppenserie. Anderlecht liet zich in de halve finale dan weer met 2-0 kloppen door KFC Malinois, dat we vandaag kennen als KV Mechelen. In 1969 bereikte Racing White wél de finale, maar verloor promovendus Union zijn replay tegen Lierse. Ook in 1973, het jaar waarin de Woluwenaars naar Molenbeek verhuisden voor de lanering van RWDM, speelde Standard voor spelbreker voor een finale tussen Anderlecht en Racing White.
RWDM, het fusieresultaat van Racing White en Daring Molenbeek – waarnaar we voorheen verwezen als Daring Club de Bruxelles –, behaalde in 1975 zijn eerste landstitel, amper twee jaar na de fusie. Met wat meeval hadden de Molenbekenaars dat jaar ook een bekerfinale tegen Anderlecht gehad als toemaatje, maar in de halve finale haalde het Antwerp van Guy Thys het met het kleinste verschil.
