34 landstitels voor de ene, tien voor de ander. Anderlecht en Standard hebben het Belgische voetbal decennialang vormgegeven, en zelfs bepaald. Maar waar nieuwe topclubs (uit de dode) zijn opgestaan, houden de eerstgenoemden zich melancholisch vast aan het verleden. Alleen gaat uitsluitend dat hen niet redden.

18 mei 2017. In Charleroi kroont Anderlecht zich voor de 34ste keer tot landskampioen. René Weiler mocht in het toenmalige Astridpark een nieuwe prijs in de kast steken. Desondanks was er kritiek op het geleverde spel, want kampioen worden alleen was niet genoeg op Anderlecht. Het was er zelfs de normaalste zaak van de wereld. Soms moest Brussel er enkele jaren op wachten, maar vroeg of laat kwam de Belgische voetbalhiërarchie weer op haar pootjes terecht. Of dat werd toch altijd verondersteld. Alsof een hiërarchie kan worden gereset. Bijna tien jaar later klinkt die veronderstelling naïef, al blijft men in dat idee geloven – tegen beter weten in.

Sinds die bewuste meiavond volgden negen volledige seizoenen zonder landstitel voor paars-wit. Sorry, zonder prijs tout court. Het heeft er alle schijn van dat de club in mei 2027 het tienjarig jubileum mag vieren: Anderlecht telt al negen punten minder dan de leider, acht minder dan Club Brugge en zeven minder dan Union in een seizoen zonder Play-Offs. Maar los van punten kent het vooral structureel en voetballend een straatlengte – noem het een autostradelengte – achterstand op de netgenoemde rivalen. De beker was de enige reële kans om het nakende jubileum af te wenden, maar op Beerschot leken de Anderlechtspelers niet onontvankelijk voor een lentefeest.

Een eind verderop, aan de oevers van de Maas, klinkt een nog schrijnender verhaal. Standard, in 2008 en 2009 nog tweemaal op rij landskampioen en even het epicentrum van het Belgische voetbal, eindigde sinds 2019 geen enkele keer meer bij de eerste drie en heeft sindsdien zelfs geen enkele keer meer Play-Off 1 gehaald. Onwaarschijnlijk voor een ‘topclub’ – zelfs als supporter lijkt mij de vraag of Standard nog steeds tot dat kransje ploegen behoort legitiem.

Dat Anderlecht en Standard nog steeds tot de grootste clubs van België behoren, staat buiten kijf. Maar misschien moeten we stilaan het onderscheid durven maken tussen een grote club en een topclub, zeker in het geval van Standard. Top betekent namelijk zeer goed: een weinig toepasselijk adjectief, zowel sportief als structureel.

Geschiedenis laat zich niet erven

De vergelijking tussen beide clubs is dus inderdaad niet helemaal eerlijk. Anderlecht stond de afgelopen jaren geregeld dichter bij de top dan Standard; in 2023/24 eindigde het onder Riemer nog tweede. In Luik was kwalificatie voor Play-Off 1 intussen haast een prestatie op zich geworden. Toch delen beide clubs hetzelfde probleem: ze lijken gevangen in de verwachtingen die hun eigen geschiedenis heeft gecreëerd.

Ieder seizoen opnieuw verwacht men namelijk dat de hiërarchie in het Belgische voetbal wordt gereset. Dat alles wat de voorbije jaren is gebeurd teniet wordt gedaan en dat een naam en een logo op zichzelf genoeg zijn om mee te spelen voor het allerhoogste. Wie de prijzenkasten, supportersaantallen en geschiedenis erbij haalt, begrijpt waarom. Alleen vormen die zaken geen enkele meerwaarde op het veld. Integendeel: voor heel wat tegenstanders werken de namen ‘Anderlecht’ en ‘Standard’ als een lap op een stier, en tientallen (ex-)spelers van de twee clubs gingen de laatste jaren ten onder aan de druk van de geschiedenis.

Het brengt mij bij enkele pertinente vragen die even pijnlijk als relevant zijn: hoeveel jaren moet een club onder haar historische niveau presteren voordat dat niveau niet langer de norm, maar de uitzondering wordt? Wanneer houdt een crisis op tijdelijk te zijn? En wanneer moet men erkennen dat hetgeen jarenlang als een overgangsperiode werd omschreven, misschien gewoon de nieuwe realiteit is?

Het zijn ongemakkelijke vragen. Zeker voor supporters die weten wat hun club is of kan zijn, of minstens zijn opgegroeid met de verhalen over die grandeur. Een verleden is echter geen levensverzekering.

Een nieuw hoofdstuk in de Belgische voetbalgeschiedenis

Want het Belgische voetbal heeft ondertussen allerminst stilgestaan. Club Brugge is dé nieuwe referentie in België. Antwerp werd in 2023 voor het eerst in 66 jaar landskampioen en pakte sinds zijn terugkeer naar eerste klasse ook nog eens twee bekers. En Union, ooit het sympathieke clubje dat vooral in geschiedenisboeken opdook, is the new kid on the block. Het opvallende is dat die laatste twee, Antwerp en Union, hun successen op bijzonder korte tijd hebben opgebouwd. Antwerp pakte drie seizoenen na promotie zijn eerste prijs; Union werd het seizoen na zijn promotie ei zo na kampioen. Het illustreert vooral hoe weinig zelfs het recente verleden waard is wanneer de bal eenmaal rolt.

Het nieuwe normaal?

Het zou overdreven zijn om te concluderen dat Anderlecht en Standard hun plaats aan de Belgische top definitief hebben verspeeld. Daarvoor verandert het voetballandschap te snel en blijven beide clubs te groot in potentieel. Alleen is die potentiële grootheid intussen wel een achterhaald argument geworden, en tevens verre van een garantie voor de toekomst. Genoeg voorbeelden in het buitenland. Schalke 04, Hamburger SV, Saint-Étienne of Valencia: allemaal bewezen ze recentelijk dat een naam, geschiedenis en trouwe achterban op zichzelf geen zekerheid bieden op sportieve successen. In sommige gevallen boden die zaken zelfs geen zekerheid om niet te degraderen, of om te blijven bestaan.

Misschien is het dan ook tijd om de vraag om te draaien. Niet wanneer Anderlecht en Standard eindelijk terugkeren naar waar ze thuishoren, maar of ze daar überhaupt nog terugkeren. En dan niet occasioneel – want daarop is het antwoord ongetwijfeld ja – maar structureel. De geschiedenis herhaalt zich soms, maar lang niet altijd. Intussen is het Belgische voetbal al een aantal jaar aan een nieuw hoofdstuk begonnen. Eentje waarin de twee (ex-)grootmachten voorlopig vooral in de voetnoten voorkomen. Wie de glorieverhalen van de eeuwige rivalen wil teruglezen, moet steeds verder terugbladeren. Tot men uiteindelijk belandt bij drie woorden die ooit nauwelijks denkbaar waren: er was eens.