Mijmeren is het enige wat ons te doen staat. Dat is terugdenken aan makkelijkere tijden, met de vrijheid van het trappen van een bal samen met vrienden. Het beeld van een belopen zijlijn is niet meer dan logisch. Dat gras smeekt om opnieuw bewerkt te worden door harde noppen. Sprintend achter de bal aan, parallel met een gespoten lijn, je houdt hem binnen met een fluwelen tik met de tip van een uitgestrekt been.

Onlangs zag ik een filmpje van Juventus-Inter, een wedstrijd die achter gesloten deuren werd gespeeld, tevens een van de laatste Europese toppers die werd afgewerkt. Geen vurig publiek dat de microfoons domineerde, maar het Italiaans fanatisme droop van de krijgers op het veld. Ik meende de zware bariton van Ronaldo te horen naast andere zuiderse klanken op het middenveld. Bij corners instrueerde Szczęsny in vloeiend Italiaans. Hij is onvervangbaar, maar hij deed me toch aan Buffon denken.

PSG-Dortmund, nog zo’n geval zonder supporters. Die Champions League-hymne galmde over lege tribunes, het is er niet voor gemaakt. Wat anders een ongelooflijke heksenketel betreft op zo’n avonden, leek het Parc Des Princes die keer ontvlucht. Er heerste nervositeit in de stemmen die oprezen, het lukte niet meteen. Gezangen buiten het stadion waren nog net te horen, de fantasie moest de melodieën aan elkaar knopen. Deze toestanden brachten me in de zaal waar ik elke maandagavond in vriendenkring voetbal. Ik waan mezelf als een combinatie van Alisson Becker en Ali Gholizadeh: eerst de ballen uit doel plukken met flitsende reflexen om dan uit te pakken met millimeterpasses.

Mijmeren kan nog, mijmeren bevrijdt alles wat even niet kan. En verder: lezen in Johan Cruijff, de biografie van Auke Kok. Cruijff had in benarde tijden als vandaag de eerste de beste betonnen muur opgezocht om het balletje met rechts en links terug te tikken.