Toen Didier Lamkel Zé de uitzending van Extra Time opende in de rubriek van de ja-neevragen, bedacht ik bij mezelf dat ik Lamkel Zé nooit eerder had horen spreken. Altijd vloeit er inkt van anderen over hem in plaats van dat hij over zichzelf zou vertellen. Het speelse karakter van zijn stem viel meteen op, samen met het zelfvertrouwen in zijn antwoorden. Lamkel Zé is een soort archetype: un homme intouchable, al het aardse gaat aan hem voorbij, wat zich vertaalt in een excentrieke en mysterieuze persoonlijkheid. Iedereen moet genieten van zijn gebed voor het plastic bekertje. ‘Gebed voor een plastic bekertje’ wordt de titel van zijn toekomstige biografie die een bestseller zal zijn in Vlaanderen en nergens anders.
Eigen aan archetypen is dat ze alle aandacht naar zich toe trekken. “Veel valt terug op een vraag naar liefde”, opperde Filip Joos, maar sommige spelers zijn eerder timide en eisen niet die aandacht op. Dan zijn hun prestaties archetypisch, zoals bij het koningskoppel Erling Haaland en Kevin De Bruyne. Of de Champions League-ploeg van Club Brugge. Opnieuw had Carl Hoefkens een matchplan klaar en dat speelde zich af op het veld. Simpel. Club heeft Atlético Madrid gedomineerd door gewoonweg als Club te spelen. En de cool van Hoefkens na de wedstrijd is schitterend: “Of ik dit graag als speler had meegemaakt? Wellicht stond ik nooit in deze ploeg.”
Waar eindigt dit voor blauwzwart? Het eindigt waar onze taal om de prestaties te bevatten zal stoppen. Al drie keer op rij moesten de kranten koppen met superlatieven als “Historisch!”, “Ongezien!” en “Staande ovatie!” na een match van Club in de Champions League. Er bestaan geen superlatieven van superlatieven, dan is de taal op en komen we in het vage veld van het sublieme (het onbevattelijke) terecht. De volgende keer bestaat de krantenkop gewoon uit een beeld, en daarna uit niets meer.