Napoli – Arsenal was een wedstrijd om duimen en vingers bij af te likken. Ook voor blinden. Wat zeg ik? Vooral voor blinden. Want wie dinsdagavond in het Stadio Diego Armando Maradona de ogen sloot, miste verrassend weinig. Sterker nog: die vatte alles.
Europese wedstrijden tussen Italiaanse en Engelse teams zijn altijd speciaal. Ja, ook door de geschiedenis, maar als voetbalromanticus trok vooral de clash der stijlen op de tribunes van het iconische Stadio Diego Armando Maradona mij dinsdagavond aan. In de eerste vijf minuten van de wedstrijd wisselden your support is fucking shit en Un giorno all’improvviso elkaar gezwind af. Mooier dan een symfonie van Mozart.
Smoorverliefd
Het mooiste was dat beide supportersscharen qua stijl nauwelijks verder uit elkaar konden liggen, maar toch dezelfde taal spraken: die van de liefde. Iedereen die op de tribunes van het Armando zat – Londenaar of Napolitaan – werd ooit verliefd. Niet op iemand, maar op iets. Mi innamorai di te, il cuore mi batteva, non chiedermi perché. De Napolitanen zingen het letterlijk.
Maar vergis u niet: ook die stoere Engelsen zijn verliefd. Smoorverliefd zelfs. Waarom reis je anders op een doordeweekse dinsdag half Europa door om negentig minuten naar elf overbetaalde mannen in korte broekjes te kijken? Zouden ze datzelfde overhebben voor hun vrouw?
Het enige verschil is de manier waarop beide groepen hun liefde kenbaar maken. Een Napolitaan bezingt zijn club als ware hij Romeo die Julia van zijn liefde probeert te overtuigen. Vlaggen in de curva dansen negentig minuten in de wind; bengaals vuur wordt als een kampvuur aangestoken voor de gezelligheid. Soms krijg je zelfs de indruk dat wat er op het veld gebeurt, bijzaak is. Gezangen worden luider wanneer hun ploeg op achterstand komt, want hun liefde is onvoorwaardelijk.
Een Engelsman, daarentegen, uit zijn clubliefde gewoon door er te staan. Vergelijk het met een vader die zielsveel van zijn zoon houdt, maar te macho is om die liefde uit te spreken en maar al te graag over iets anders begint zodra het gesprek te persoonlijk wordt. Geen mi innamorai di te, maar this is a shithole. Geen trommel of megafoon, maar een chant die ter plekke wordt verzonnen en even snel weer uitsterft omdat iemand verderop iets beters heeft bedacht.
Lees verder onder de foto.

Producten van de jaren 60
Die fundamenteel verschillende manieren van supporteren hebben hun eigen historische wortels. Toen Europese verplaatsingen in de jaren zestig gebruikelijker werden, begonnen supporters zich steeds nadrukkelijker te organiseren rond hun club, en ontwikkelden zich verschillende tradities die bedoeld waren om zich van andere groepen te onderscheiden.
De Italiaanse ultracultuur, die later wereldwijd gretig werd gekopieerd, kreeg vanaf het einde van de jaren zestig vorm. Fanatieke supporters groepeerden zich in de curves van het stadion – vandaar curva – en ontwikkelden gaandeweg een eigen cultuur, getypeerd door spandoeken, vlaggen, tifo’s, capi en onafgebroken gezangen. Tegen het midden van de jaren zeventig hadden zowat alle grote Italiaanse clubs dergelijke groepen.
Aan de andere kant van Europa voltrok zich iets helemaal anders. Eind jaren zeventig ontstond in Engeland de casual-cultuur. Geen grote banners of vlaggen, maar eerder het tegenovergestelde. Clubkleuren verdwenen steeds vaker en kleding werd een visitekaartje. Adidas aan de voeten, een jeansbroek, en afgewerkt met een Fila of Sergio Tacchini. Later maakten ook Stone Island en C.P. Company hun intrede. Ironisch genoeg stonden dinsdagavond ook in het Engelse uitvak honderden mannen in Italiaanse makelij. Zoveel verschillen beide groepen dan toch niet van elkaar.
Ik ga zelfs meer zeggen: ze zijn nagenoeg hetzelfde. Het zijn twee supportersgroepen die naar dezelfde wedstrijd kijken, dezelfde emoties ervaren en bij een belangrijk doelpunt exact dezelfde reflex hebben om een wildvreemde in de armen te vliegen. Alleen zijn ze verliefd op een andere club en hebben ze elk hun eigen idee ontwikkeld over hoe die liefde hoort te worden uitgedrukt.
Religie
Het cliché dat voetbal religie is, was zelden zo treffend. Supporters erven hun geloof vaak van hun vader, trekken wekelijks naar hun heilige grond en dragen kleuren waaraan medegelovigen elkaar herkennen. Oude shirts worden relikwieën, voormalige spelers heiligen en Europese verplaatsingen pelgrimstochten. Iedere groep heeft haar eigen rituelen, symbolen en gezangen. En uiteraard is het eigen geloof altijd net iets heiliger dan dat van de ander.
Daar zit wellicht ook de grootste gelijkenis. Hoe harder ze zich blindstaren op wat hen van elkaar onderscheidt, hoe duidelijker een buitenstaander ziet hoeveel ze op elkaar lijken. Andere kleuren, andere liederen, andere rituelen, maar exact dezelfde passie die ervoor zorgt dat ze week in, week uit kilometers reizen, vaak zelfs om teleurgesteld terug huiswaarts te keren.
Zo ook dinsdagavond in Napels. In de curva stonden duizenden mensen die hun liefde negentig minuten lang bezongen met vlaggen, rook en uitgestrekte armen. Aan de andere kant stonden duizenden mensen die exact diezelfde emotie verstopten achter sarcasme, zelfspot en beledigingen aan het adres van alles wat Napolitaans was.
Un giorno all’improvviso tegenover your support is fucking shit.
Op het eerste gehoor twee totaal verschillende liefdestalen, maar eigenlijk zeiden ze exact hetzelfde. Misschien was Napoli – Arsenal daarom inderdaad vooral een wedstrijd voor blinden; de doven hadden pech. Want wie dinsdagavond zijn ogen sloot, zag geen Italiaan of Engelsman, geen ultra of casual. Hij zag zelfs geen seconde voetbal. Maar hij begreep er alles van.
