Mijn ploeg verloor afgelopen weekend. Een rotgevoel. Traditiegetrouw check ik dan Sofascore om te achterhalen waar ik de komende week naar kan uitkijken. Want de teleurstelling na een nederlaag duurt maar zolang er geen nieuwe clash is waaraan ik mijn volgende weekend aan kan ophangen. Pardon? De volgende competitiewedstrijd is pas midden oktober. En die daarna nog twee weken later.

Drie weken interlandbreak. Drie weken lang wekelijks uitkijken naar weekends die irrelevant zijn. Ja, waarschijnlijk zet ik mijn televisie wel op voor België – Italië of België – Frankrijk, maar dan eerder uit morele verplichting. Niet omdat het mij ook maar iets kan schelen of de Rode Duivels al dan niet naar de volgende ronde van de Nations League gaan. De Nations League, nota bene; niets meer dan een hoop veredelde oefenwedstrijdjes. En daar moet ik mijn geliefde club drie weken voor missen.

Ik ben Belg. Fiere Belg. En ik ben verliefd op voetbal. Smoorverliefd. Op papier zouden wedstrijden van de nationale ploeg mij dus in vervoering moeten brengen. Niets is minder waar. WK’s of EK’s zijn leuk, akkoord. Maar zelfs dan sta ik de ochtend na een uitschakeling op zonder ook maar een milliseconde te rouwen of terug te denken over hoe het anders had kunnen lopen. Mijn blik gaat nagenoeg meteen uit naar wat écht belangrijk is: wanneer begint de competitie weer?

Waarom weet ik niet precies. Zoals ik al zei, zou de Belgische nationale ploeg in theorie iets in mij moeten aanwakkeren, maar voetbal heeft niets met theorie te maken. Enkel met gevoel. Misschien komt het doordat, wanneer de nationale ploeg speelt, het hele land aan dezelfde kant staat. Dat klinkt mooi, maar is in werkelijkheid oersaai. Want welke vriend kun je dan op maandag treiteren nadat zijn ploeg verloren heeft? Het zou zelfspot zijn.

Daarbovenop is de nationale ploeg ook nog eens dé trekpleister voor voetbaltoeristen. Vergelijk het Koning Boudewijnstadion met een kamer waar het licht brandt en het raam openstaat in het donker, waardoor allerlei ongedierte naar binnen vliegt. Lees: mensen die elf maanden per jaar niets met voetbal hebben, maar de Rode Duivels aangrijpen als object van sociale cohesie. In theorie een nobel doel, maar opnieuw: in voetbal is de theorie enkel vóór de wedstrijd relevant. Vanaf het eerste fluitsignaal is theorie enkel hinderlijk. Zeg nu zelf: niets is toch vermoeiender dan een voetbaltoerist die tijdens een wedstrijd om de haverklap komt aanzetten met clichés als ‘druk zetten’ of ‘ze moeten meer naar de goal sjotten’.

Laat dat soort nonsens nu exact datgene zijn wat je hoort wanneer de Rode Duivels spelen. In een of ander oubollig uitvak op een regenachtige dinsdag heb je dat niet voor. Daar zit niemand die na twintig minuten voorzichtig informeert waarom de keeper de bal eigenlijk met zijn handen mag pakken, of hoe buitenspel werkt. Daar weet iedereen waarom hij er zit. En meestal ook waarom hij zichzelf dat aandoet, al kan hij dat niet uitleggen.

Want voor de zoveelste keer: voetbal is gevoel. Een chronische, onverklaarbare liefde.

Dat is misschien exact wat clubvoetbal zo verslavend maakt. Het is geen evenement, maar een ritme. Zondag winnen en je luistert van maandag tot woensdag naar alle mogelijke podcasts – zelfs naar Ongefilterd. Zondag verliezen en je mijdt diezelfde dagen elke mogelijke voetbalberichtgeving omdat je niet opnieuw met dat bijtende gevoel van een nederlaag wilt geconfronteerd worden. Weglopen van zijn emoties, heet dat. Tot donderdag, wanneer je weer begint te geloven dat het komend weekend anders wordt. De stand verschuift. Concurrenten morsen met punten. De ene week is mijn ploeg titelkandidaat. De week nadien is het de gedoodverfde degradatiekandidaat. Iedere week verandert er iets, al is het maar mijn humeur.

En net wanneer dat ritme zich na die zomer vol clichés en voetbaltoeristen eindelijk weer in mijn lichaam heeft genesteld, trekt iemand de stekker uit. Het is pervers en bijna sadistisch om een voetbalfan zeven weken lang te voeren met het lekkerste op aarde, om hem vervolgens drie weken op rantsoen te zetten. Alsof je in een sterrenrestaurant net het voorgerecht hebt verorberd en de ober vervolgens komt mededelen dat de chef voor drie weken op vakantie is vertrokken.

A cold (Belgium –) Turkey.

Het ironische is dat ik ook die wedstrijd ongetwijfeld ga bekijken. Sterker nog: ik zal vloeken bij balverlies, juichen bij een goal en me dood ergeren aan iemand naast mij die vindt dat ‘ze eens van buiten de zestien moeten proberen’.

Maar meteen na affluiten open ik Sofascore.

Nog negen dagen.