De eeuwige optimist hekelt de titel van deze tekst en water is nat. Zekerheden in het leven, ze moeten er zijn, al staan die al driekwart jaar op losse schroeven. Maar de bal blijft ondertussen rollen over de velden tijdens holle derby’s en een stille kreet aan zielsafwezigheid.

De aangekondigde tweede en fellere virusgolf zet onze samenleving opnieuw in slaapmodus. Mensen blijven anonieme standbeelden in beweging met het gelaat achter een medisch schild. Met de gedachte aan de pseudo-lijken die op de buik liggen om de ondraaglijkheid van de ziekte te bedwingen is de huidige mensvorm noodzakelijk. De menselijke idiotie dit weekend op de Meir in Antwerpen (een van de grootste winkelstraten in Vlaanderen, red.) bereikte daarentegen een hoogtepunt. De laatste dagen voor een noodzakelijke lockdown en wat denkt de idioot: “Dan moet ik toch nog even snel in een overvolle Primark drie truien voor een habbekrats halen.”

Tegenover die erbarmelijke scènes, waarbij cynisme loert en kietelt, heeft de voetbalsector zich voorbeeldig gedragen. Strikte reglementen en veiligheidskaders zijn ondertussen een gewoonte en de clubs kunnen veilig trainen. Ondanks alle energie in die preventiemaatregelen zijn voetbalspelers niet onvatbaar door het virus. Dat benadrukt de kwetsbaarheid van ons allen. Het karakter dat voetbalspelers nu dragen in een voor hun nog eenzamer bestaan dan in de normaliteit moet staalhard zijn. Dat zagen we bij KV Mechelen gisteren tegen Club Brugge. Mechelen was voor aanvang volledig gedemoraliseerd: amper 7 op 27 en twee weken niet fatsoenlijk kunnen trainen door besmettingen in de ploeg. Klaar voor de slachtbank dus op het veld van de landskampioen. Dat zat er ook in na een vroege 2-0-voorsprong van blauwzwart, maar de makheid liet Mechelen toe om terug op gelijke hoogte te komen. Een morele overwinning.

En de supporter? Een vervlogen begrip. Schrijver Herman Brusselmans zou mij toestaan zijn favoriete woord ‘gruis’ te gebruiken: supporteren in het gruis, supporteren in het niets.

Vrijdag 30 oktober 2020: op weg naar de bibliotheek van de Universiteit Antwerpen. In de miezerige ochtend dat volgde van een legendarische avond op de Bosuil: Mourinho was verslagen, een gebeurtenis waar over 50 jaar nog wordt gesproken. De Antwerpse universiteit is een kern van jonge studentikoze supporters met een al dan niet rood hart. De vreugde en het nog nabruisende ongeloof zou in hun gedrag te lezen zijn, maar er was niemand. De Ossenmarkt (populaire studentenbuurt in Antwerpen, red.) was onaangeroerd gebleven en de universiteit oogde verlaten. Wat op dat uur van de ochtend nog gevierd zou worden, leek nooit bestaan te hebben. Enkel een fietser stak zijn hand uit naar een man op de stoep en riep: “Proficiat hé, man. We dit it!” Dat vulde m’n hart voor even met alle warmte die voetbal kan bieden.

De supporter is een dier dat in een winterslaap vertoeft. Het laat zich niet opmerken en jammer genoeg niet horen. Vastgeketend achter het televisiescherm zit het stil mee te leven met de helden van het gras. Enthousiasme moeten we het vergeven in een donker wordende straat. Het hart wordt elke dag een beetje verscheurd in de angst voor het virus en denkt het: kan dit nu echt nog doorgaan? Ondertussen valt een doelpunt en viert de supporter, er zijn nu eenmaal zekerheden in het leven. De beleving is weg, we kijken naar veredelde trainingen, aldus een parafrase van René van der Gijp, een van de meest passionele voetbaldieren op televisie die ik ken. De eeuwige optimist hekelt de titel, die niet lukraak gevormd is. Het een komt voor het ander: de leed voor de verloren voetbalvreugde.