Louis van Gaal is officieel voorgesteld als bondscoach van Oranje in een bijna sacrale persconferentie. “Wie zou de job anders moeten doen?” Eigen woorden maken veel wijs. Louis waande zich een onsterfelijke held, de Uitverkorene die Nederland terug naar de top kan brengen. Dan was de voorstelling van Radja Nainggolan bij Antwerp veel koeler. In het gladde dialect bekoorde Radja vriend en vijand als kind van Linkeroever. Voorzitter Paul – met dezelfde waan als van Gaal – haalde hem binnen door de grote poort, opscheppend over Radja’s salaris. Louis en Paul zouden mooie vrienden zijn, in hun begoochelende onsterfelijkheid.
Antwerp is een zotte ploeg vol zotten aan het bouwen. Maar is dat genoeg voor onsterfelijkheid? Zet de competitie nu stil en Antwerp is een middelmatige middenmoter, en Union kampioen. Het zou de twaalfde titel in eerste klasse voor de Unionisten zijn. Na de tweede wedstrijd richtte capo Dylan Apache zijn megafoon omhoog en sprak zijn troepen toe met de legendarische woorden: “Jullie speelden een fantastisch seizoen. Jullie wonnen van Anderlecht!” Een oorverdovend gejuich volgde, 124 jaar onsterfelijkheid ejaculeerde uit de tribune.
Afgelopen vrijdag trapten Brentford en Arsenal de Premier League af. Een London derby om te beginnen, grootser oervoetbal kon het niet worden. Ook omdat The Bees wonnen met 2-0. The Gunners waren kansloos en armoedig. Arsenal Fan TV heeft een hogere cultstatus dan Arsenal zelf. Dezelfde eigenwijze heikneuters verkondigden dezelfde eigenwijze boodschappen; de coach moet het bekopen en de club is naar de kloten. Dan sta je daar als Arsenal-supporter in een donkere steeg naast het stadion te lullen voor een camera, zingend in je achterhoofd: “49 undefeated.” Dat is zeventien jaar geleden, die gouden beker is weggerot door de vliegen in hun prijzenkast. Die onsterfelijkheid is reeds lang vergaan in een onbeduidend Arsenal. We hoeven er niet aan te wennen, want dat zijn we al.
Onsterfelijkheid in het voetbal is dus even nep als zuiver. Enkel onvergetelijke namen bestendigen dat. Rust in vrede, Franck Berrier en Gerd Müller. De een te jong, de ander gezegend. Beide namen van een ander kaliber, maar beiden tot de verbeelding sprekend. Beiden kunnen mee ballen met Maradona daarboven. Beiden doen even veel pijn. Beiden zijn voor eeuwig onsterfelijk in onze herinneringen.