Gastcolumn door Arne Prové

“Voetbalclub AA Gent staat in de etalage”, kopte De Tijd op 17 september 2021. Het is geen geheim dat de Gentse bestuurstop achter de schermen al enige tijd nadenkt over zijn opvolging. Dat het bestuur nu ook bereid lijkt om de club te verkopen aan een binnen- of buitenlandse investeerder, is wel een bom. Want net om de Buffalo’s uit private handen te houden werd KAA Gent nog maar in 2016 omgevormd van vzw tot cvba met sociaal oogmerk, een rechtsvorm die het maatschappelijke kapitaal binnen de club verankert.

Maar wat betekent zo’n kapitaalsverankering dan? Eenvoudig uitgelegd: voetbalclub KAA Gent heeft een bepaalde financiële waarde (de waarde van de spelerskern, de oefenterreinen, het jeugdcomplex, het stadionpercentage waarvan de club eigenaar is, enzovoort). Dat maatschappelijke kapitaal van de club wordt vertegenwoordigd door een aantal aandeelhouders: volgens De Tijd bezit voorzitter Ivan De Witte 25% van de clubaandelen, algemeen manager Michel Louwagie 15%, verschillende andere leden van het bestuur samen 40% en leden van de vroegere vzw KAA Gent en Stad Gent samen de resterende 20%.

Het statuut ‘cvba met sociaal oogmerk’ heeft echter een bijzondere eigenschap: kapitaal kan niet uit de club worden gehaald. Dit betekent – bijvoorbeeld – dat voorzitter De Witte zijn clubbelang van 25% wel kan doorgeven aan een opvolger of een andere geïnteresseerde, maar ook dat hij zijn aandelen niet kan laten uitbetalen. Clubaandelen doorgeven kan wel, maar ze cash incasseren niet: het geld blijft immers altijd in de club zitten. Daarom vormt het cvba-statuut een uitstekende bescherming tegen buitenlandse investeerders of op financieel rendement beluste overnemers: in deze rechtsvorm is de club niet interessant voor wie er persoonlijke winst mee wil maken.

Voorzorgsprincipe versus noodzaak

Je zou kunnen stellen dat de eerdere omvorming van een vzw tot een cvba met sociaal oogmerk gestoeld was op het voorzorgsprincipe: binnen de casinokapitalistische wereld die het profvoetbal ook in 2016 al was, wilde het Gentse bestuur de club wapenen tegen een ongewenste externe overname. Dat een gezonde dosis voorzichtigheid geen overbodige luxe is, weten uitgerekend De Witte en Louwagie als geen ander. Op zoek naar sportieve successen namen De Wittes voorgangers Albert De Meester en Jean Van Milders in de jaren 1980 en 1990 zulke onverantwoorde financiële risico’s dat het de club bijna de kop kostte.

Ook vandaag luidt het dat een eventuele verkoop van KAA Gent het gevolg van een sportief-financiële noodzaak zou zijn. Of zoals voorzitter De Witte op de clubwebsite reageert (19/09/2021) op het artikel in De Tijd: “het is onze plicht om de toekomst van de club te verzekeren, en dit met voldoende financiële draagkracht om competitief te blijven”. Dat klinkt als een logisch argument, maar het klopt daarom niet noodzakelijk. De mantra dat een club een rijke eigenaar nodig heeft om competitief te kunnen zijn, lijkt zich de voorbije jaren in de hoofden van steeds meer bestuurders en supporters te hebben genesteld. Alsof het een natuurwet is. Alsof er geen alternatief is.

Maar er bestaan wel degelijk alternatieven; dat demonstreren internationale voorbeelden als Athletic Club de Bilbao, Rapid Wien, Bayern München, Borussia Dortmund en zowat alle Duitse clubs, werkelijk alle Zweedse clubs en tal van Latijns-Amerikaanse topclubs van wie de beheerstructuur steunt op een gemengd aandeelhouderschap, 50-plus-1-principe of lidmaatschap (de zogenaamde socio’s). Ook in de vaderlandse competitie bestaat er met KRC Genk overigens een prijzenpakker zonder financiële mecenas.

Maar het beste voorbeeld van een financieel onafhankelijke en tegelijk sportief competitieve club is KAA Gent gewoon zelf. Al jarenlang. Niet private-owned, maar de voorbije tien jaar wel een landstitel, bijna jaarlijkse Europese campagnes en een nagelnieuw stadion op het conto. En ondertussen ook een van de grootste budgetten van de Belgische competitie, stilaan vergelijkbaar met dat van RSC Anderlecht. We draaien al twee decennia min of meer mee aan de vaderlandse top, zonder dat we daarvoor ooit het bezit van een Verhaeghe, Coucke of Gheysens hoefden te worden. Hoezo, we moeten de club verkopen om mee te kunnen?

Natuurlijk wil ik best geloven dat de coronacrisis er – net als bij alle professionele sportclubs overigens – zwaar ingehakt heeft, maar anderzijds heeft KAA Gent volgens De Tijd wel een spaarpotje van zowat 25 miljoen euro opzij staan, terwijl Jonathan David twee seizoenen geleden nog voor ongeveer dertig miljoen vertrok en er de voorbije zomer opnieuw voor goed dertig miljoen werd verkocht. Tel daarbij de vaste inkomsten uit televisierechten als G5-club en het feit dat de Ghelamco Arena sinds kort terug op volle toeren mag draaien en dan lijkt de financiële terugval eerder ‘ietwat zorgwekkend’ dan ‘catastrofaal’ te zijn.

Toch is het mogelijk dat een kapitaalinjectie voor KAA Gent werkelijk aangewezen, nuttig of zelfs nodig is. Alleen: waarom wordt daarvoor automatisch naar privé-investeerders gekeken? Er zijn over heel Europa voorbeelden te vinden van supporters die mee in het kapitaal van de club stappen (denk bijvoorbeeld aan de Britse supporters’ trusts) en daar praktische voordelen, zeggenschap of dergelijke zaken voor in de plaats krijgen. Zo vergaarde het supportersvehikel ‘Club 1872’ tussen 2003 en 2017 bijvoorbeeld al meer dan 10% van de aandelen in het Schotse Rangers FC.

Supporters die een deel van hun club mee in handen kunnen krijgen: bestaat er eigenlijk een sterkere formule om de band met de achterban aan te halen en de club tegelijk nog dieper lokaal te verankeren? Als er een financiële injectie nodig is, zou je de supporters dus ook méér bij hun club kunnen betrekken in plaats van de club aan hun handen te onttrekken. Dat geldt in het bijzonder voor een cvba – een rechtsvorm die het relatief eenvoudig maakt om nieuwe vennoten toe te voegen – en al helemaal in het licht van het sociale oogmerk, dat volgens de statuten van KAA Gent “de organisatie en ontwikkeling van de voetbalsport wil promoten, het damesvoetbal, amateurvoetbal, jeugdvoetbal en de communitywerking met kwetsbare doelgroepen wil bevorderen en de voetbalsport toegankelijk wil maken voor eenieder”.

Zelfbeschikking overboord = geen weg terug

Nog belangrijker is dat een sportclub bij een externe overname zijn zelfbeschikking verliest. Wordt de club het bezit van iemand, dan heeft die eigenaar het finale woord. Er bestaan voldoende jammerlijke voorbeelden van waartoe dat kan leiden. Iedereen herinnert zich waarschijnlijk nog de Luikse poppenkast van Roland Duchâtelet, die aanvankelijk nochtans als een ‘degelijke, Belgische overnemer’ werd gezien. In Charlton kan de man vandaag vermoedelijk nog steeds niet veilig over straat lopen, hoewel hij de club die hij tot in de kleinste vezels beschadigde al een jaar geleden verkocht. Ook Marc Coucke, die de aloude wetten van de voetbalbusiness eens snel-snel zou herschrijven, leek bij zijn Brusselse intrede een godsgeschenk. De eerste weken dan toch. Over zijn uittocht aan de kust, waar hij ‘de club van zijn hart’ KV Oostende voor dood achterliet, zullen we het maar niet hebben.

Nog eentje van over het Kanaal? Op 17 september vroeg het nochtans private-owned Derby County bescherming aan tegen zijn schuldeisers nadat slecht management er de laatste jaren al voor aanhoudende financiële problemen had gezorgd. De club staat sinds 2018 (!) in de etalage, maar vond tot op heden nog geen koper. Omdat de eigenaar weigert nog langer geld in een bodemloze put te gooien, lijkt het over en uit voor the Rams. Of neem het al jarenlang rondzwalkende Newcastle United, waar clubeigenaar Mike Ashley blijft weigeren om voldoende te investeren in een degelijke spelerskern, terwijl hij ook blijft weigeren om de club te verkopen (tenzij aan Saudische investeerders vorig jaar, maar dat plan werd onder zware druk van de eigen fans in extremis afgeblazen).

Neen, dan lijken Amerikaanse investeerders zoals Bolt Football Holdings bij Waasland-Beveren, Pacific Media Group bij KV Oostende en sinds kort Orkila Capital bij Club Brugge een veiligere keuze. Alleen: wie herinnert zich nog de heisa rond de Washington Redskins, een American football-team dat net als KAA Gent een trotse indiaan in het logo droeg? Na een lange discussie over raciale stereotypering en culturele toe-eigening heten de Redskins sinds vorig jaar ‘Washington Football Team’ en in het clublogo valt geen indiaan meer te bespeuren. Welke garanties zou KAA Gent hebben als de Amerikaanse pers er bijvoorbeeld achter komt dat een Amerikaans investeringsfonds een voetbalclub met indianenlogo in de portefeuille heeft? De vraag is retorisch, het antwoord eenvoudig: geen enkele.

Alle bovenstaande voorbeelden kunnen als ‘extremen’ bestempeld worden, maar dat is juist het punt: au fond heeft de private clubeigenaar het laatste woord en staan medewerkers en supporters bijna machteloos tegen beslissingen die het DNA van het instituut beschadigen. Een verkoop van de club is bovendien een hellend vlak, een doos van Pandora, een one-way ticket: eens je in privéhanden terechtkomt, geraak je er meestal niet meer uit. Een nieuwe eigenaar kan Leicester-gewijs natuurlijk ook geweldig meevallen, maar zelfs dan bestaat er geen enkele garantie om te voorkomen dat de club anderhalf decennium later alsnog doorverkocht wordt aan een roekeloze onbenul. Voor een financieel gezonde en sportief competitieve club als KAA Gent blijft het dus gewoon raadzaam om het zelfbestuur met beide handen zo lang en zo stevig mogelijk vast te houden.

Hallo, Stad Gent?

En dan is er nog de morele kwestie. Sponsors, Stad Gent en supporters gaven onze bestuurstandem De Witte en Louwagie veel krediet omdat hun onuitgesproken mandaat er eentje van caretaker was. Het was altijd de bedoeling om de club te redden, hem erbovenop te helpen en de fakkel door te geven. Het was echter nooit de bedoeling om de club te redden, hem erbovenop te helpen, hem tot bezit te maken en hem daarna te verkopen.

Nog problematischer voor een eventuele verkoop is dat Stad Gent, onder impuls van het clubbestuur, aan KAA Gent ook letterlijk veel krediet heeft gegeven. In de vorm van leningen en participaties vloeide er veel belastinggeld van de Gentenaars naar de ondersteuning van hun club en zijn nieuwe stadion, wat wellicht te rechtvaardigen valt door de belangrijke gemeenschapsfunctie die de grootste van alle Gentse sportclubs vervult.

Het kan echter het nooit de bedoeling zijn geweest dat die publieke middelen de waarde van de sportclub zouden vergroten om hem vervolgens te verkopen. Het belastinggeld om KAA Gent sportief, institutioneel en gemeenschappelijk te versterken, moest via een de cvba-structuur met sociaal oogmerk binnen de club verankerd blijven. Het zou bijzonder cynisch zijn mocht die publiek gecreëerde meerwaarde nu in privézakken terechtkomen door een eventuele omvorming tot bv en een daaropvolgende verkoop.

Kristalhelder schot voor de boeg

Nog een jammerlijke vaststelling is dat hoofdsponsor vdk momenteel beter dan de club zelf over de ziel van KAA Gent waakt. In een officiële reactie op het bewuste krantenartikel in De Tijd waarschuwde vdk snoeihard dat “de club nooit verkocht kan worden. Niet nu, en ook niet later. De club is geen koopwaar, het is erfgoed ten goede van de supporters en de Gentenaars.” Met die drie zinnen zoeft de regionale bank regelrecht naar de kern van de zaak.

KAA Gent is een plaatselijke vereniging, een lokaal instituut waarbinnen jongeren uit Gent en de hele provincie (zie bijvoorbeeld het Blue White Network) sport bedrijven. De club is ook een kostbaar stuk sociaal weefsel dat gedeeld wordt door voetballiefhebbers uit Gent en het wijde hinterland. Via de KAA Gent Foundation is hij zelfs een verbindende steunpilaar binnen de stad. De club is echter geen financiële investeringopportuniteit die je aan de hoogstbiedende verkoopt.

Het is – op een veel grotere schaal, uiteraard – alsof je de scouts van Sint-Denijs-Westrem zou verkopen omdat je van de toekomstige eigenaar nieuwe lokalen beloofd krijgt. Waarna die nieuwe eigenaar doodleuk kan beslissen om de ruwere spelletjes te verbieden, de uniformen te laten bedrukken met reclame van zijn ‘strategische partner’ Mc Donalds en de leden voortaan acht euro speelgeld per zondag aan te rekenen. Niet akkoord? “Jammer, maar dat is part of the game.”

De voorbije jaren liep een hele karrenvracht aan andere profclubs recht in de armen van het privégeld in ruil voor een beetje competitief voordeel (maar wat blijft daar nog van over als iederéén het doet?). Moet de Gantoise daarom blindelings volgen? Of ligt daar dan juist ruimte om ons eigenzinnige Gentse DNA te ontplooien? “Moatse, nie meej oengs”: wij rijden voor eigen rekening, wij varen tegen de stroom in. Laat anderen hun ziel maar verkopen, wij doen het al 121 jaar lang zelfstandig en dat leverde ons de voorbije tien jaar een paar bekers, een titel en meestal Europees voetbal op.

Aan ons statuut (eerst vzw, daarna cvba met sociaal oogmerk) ligt de sportieve stagnatie van de recentste seizoenen immers niet: dat argument vervalt als je een van de grootste budgetten van België hebt. Aan een uitblijvende interne modernisering ligt het misschien wel, maar die kun je ook zonder overname doorvoeren.

Potentiële Belgische pionier

Weinig supporters zitten te wachten op een uitverkoop van het hele blauw-witte huishouden. Waar veel Gent-supporters dan weer wel om vragen/smeken, is dat de langverwachte interne modernisering er eindelijk komt: een frisse wind door de wandelgangen, een eigentijdse bedrijfscultuur met een horizontalere organisatiestructuur in plaats van rechtstreekse lijnen die vanuit de hele club linea recta naar de bestuurskamer lopen, een onafhankelijk opererende sportieve cel, eindelijk een volwaardige jeugdwerking, zulke dingen. Maar vooral: dat de supporters opnieuw het epicentrum van de club zouden worden.

Als zelfbedruipende club werd KAA Gent de voorbije jaren terecht vaak gelauwerd om zijn forward thinking, denk maar aan het fonkelnieuwe stadion dat een typevoorbeeld van inkomstengenererende sportinfrastructuur is, het nieuwe trainingscentrum met al zijn moderne snufjes, de bijzonder constructieve samenwerking tussen stad en club of de communitywerking, die met de KAA Gent Foundation op Europees topniveau speelt.

Als voorlaatste der zelfstandige Mohikanen heeft KAA Gent vandaag een uitgelezen kans om een nationale pionier op het gebied van supportersparticipatie te worden. Een evenwichtig en representatief supportersorgaan is een regelrechte must, maar waarom ook geen soort van Buffalo Supporters’ Trust? Wees creatief, denk ruim, doe nekeer zot, maar redeneer met de supporters als vertrekpunt.

Het zijn misschien de allerlaatste stappen die nog ontbreken op de weg naar wat de Gantoise echt zou moeten zijn: een trotse Gentse voetbalpionier die gedragen, richting gegeven en bewaakt wordt door zijn supporters. KAA Gent is nu al een financieel gezonde, ambitieuze en bovendien competitieve club. Een commercieel investeringsvehikel hoeft hij nooit te worden, zelfs niet op de middellange termijn.


AANVULLEND NABERICHT (23 september 2021)

Een kritiek op het artikel die ik intussen al een paar keer hoorde, gaat over de passage met financiële supportersparticipatie, die door velen als onrealistisch wordt beschouwd (en eigenlijk ook niet de hoofdboodschap van het artikel is). Ik begrijp hun standpunt, maar denk tegelijk ik dat dit voor een groot deel te maken heeft met een te nauwe kijk op het fenomeen. Het gaat over over inventief zijn. Uiteraard bestaat participatie niet alleen uit individuele supporters elk die twee aandelen van 50 euro per persoon kopen.

Vermogende Buffalosupporters of hun bedrijven zouden zich bijvoorbeeld kunnen inkopen, een beetje in de lijn van wat de Vrienden Van Feyenoord zo ongeveer deden tien jaar geleden. Of supporters zouden zich kunnen verenigen om stukje bij beetje clubkapitaal te vergaren, een beetje zoals wat Club 1872 Dat doet bij het Schotse Rangers FC.

Er vallen vast wel een paar formules te bedenken, evenwel altijd met de kanttekening dat investeren in cvba KAA Gent slechts medezeggenschap en nooit financiële winst zal opleveren… maar dat is natuurlijk juist het punt.

40% supportersaandeel, geen financieel verlies

Of De Witte en Louwagie zouden bijvoorbeeld ook hun gezamenlijke 40% aandelen waarover De Tijd berichtte aan een soort Buffalo Supporters’ Trust kunnen schenken, ik zeg maar wat. Dat idee is trouwens minder extreem dan het aanvankelijk lijkt: bij de omzetting van vzw tot cvba met sociaal oogmerk in 2016 werd de maatschappelijke waarde van KAA Gent verdeeld over aandelen voor alle bestuurders (en dus niet alleen voor De Witte en Louwagie).

Bestuursleden hebben logischerwijs niets moeten betalen voor die aandelen, omdat ze eigenlijk symbolisch zijn en dus geen echte financiële waarde vertegenwoordigen: in een cvba-rechtsvorm kunnen aandelen immers niet uitbetaald worden. Maar waarom zouden bestuurders ze dan niet gewoon kunnen doorgeven?

Droom even mee: met 40% van de aandelen in supportershanden zou Stad Gent, die nu al participeert, aan 10% plus één aandeel genoeg hebben om er mee voor te zorgen dat de club Gents en van iedereen blijft (van rekenschap en plaatselijke verankering met een sociaal oogmerk gesproken!).

Natuurlijk zijn dit niet meer dan hypothetische denkoefeningen en neen, ik ben geen specialist in sport- of bedrijfseconomie. Maar van één ding ben ik overtuigd: er moet wel wat beters te bedenken vallen dan een ordinaire uitverkoop.