In een tijd waarin de Belgische trainersgilde (op het hoogste niveau weliswaar) weinig kleurrijke figuren bevat, is het een heerlijkheid om terug te denken aan Raymond Goethals. Vooral omdat hij niet alleen de geschiedenis inging als volksfiguur, maar bovenal als een trainer was die blijvende sporen naliet en die resultaten behaalde met kleine én grote clubs. Als doelman zou hij wellicht de eeuwigheid van het Belgisch voetbal niet zijn ingegaan, maar als trainer des te meer. En daar had hij zijn sigaret als karikaturaal trekje niet eens voor nodig.

Raymond als ketje
Raymond Goethals werd op 7 oktober 1921 geboren in Vorst, als zoon van Jean Goethals en Nelly Henn. Zijn vader was bediende, zijn moeder huisvrouw. “Formidabele mensen”, omschreef Goethals zijn ouders in 1998 in het VTM-televisieprogramma Het mooiste moment. “Ze hebben alles gedaan voor mij, dat ik naar school ging, dat ik kon sporten en dat ik een goede gezondheid had”.

Naar school gaan, dat deed Goethals bij de Broeders, waar hij naar eigen zeggen zeker drie uur per dag kon voetballen. Ook buiten de schooluren deed Goethals graag aan sport, want ooit vertelde hij tegen Eddy Merckx dat hij als vijftienjarige knaap op één dag van Brussel naar Blankenberge fietste en terug. Op die leeftijd was Goethals reeds aangesloten bij Daring Club de Bruxelles, waar ook zijn jeugdvriend Albert Lanckmans speelde.

Raymond als Daringman
Goethals maakte de landstitels van Daring in 1936 en 1937 ongetwijfeld van dichtbij mee, maar de doelman stroomde pas in 1940 door naar het eerste elftal van de club. Daring was in het seizoen 1938/39 – amper twee seizoenen na de laatste landstitel – wel voorlaatste geëindigd, waardoor het de Tweede Wereldoorlog inging als tweedeklasser. Goethals keerde later nog wel terug naar Eerste klasse, namelijk als speler van stadsgenoot Racing Club de Bruxelles. De zesvoudige landskampioen ging later op in fusieclub Racing White, die op zijn beurt in het huwelijksbootje trad met… Daring om fusieclub RWDM te vormen. Het hoeft dus niet te verbazen dat tribune 2 van het Edmond Machtensstadion in 2005 werd herdoopt in de Raymond Goethals-tribune.

Raymond als lageredivisietrainer
Goethals verliet De Ganzenvijver in 1948 voor ASSA Ronse en sloeg vervolgens zijn tenten op bij RFC Hannutois. In 1956 behaalde hij zijn diploma aan de Heizelschool en werd hij speler-trainer van de club uit Hannuit, de stad waar Zénobe Gramme, die belangrijk werk verrichtte voor de ontwikkeling van de dynamo, zich destijds had ontwikkeld als leerling-timmerman. Ook Goethals ontwikkelde zich in Hannuit, en van daaruit was het in 1957 (geografisch) maar een kleine stap naar Borgworm, waar hij met Stade Waremmien in zijn eerste seizoen al kampioen werd in de Bevordering. Goethals dacht toen al serieus over de dingen na, zo bevestigde toenmalig Borgworm-kapitein Jules Kempeneers later in Het mooiste moment. “Als we tegen een technisch goede ploeg hebben, dan moest hij modder hebben”, aldus Kempeneers, bij wie Goethals op zondagmiddag steevast ging eten als de club thuis speelde. Maar niet voordat hij om 10u naar de junioren was gaan kijken…

Raymond als STVV-trainer
In 1959 kreeg Goethals zijn eerste kans op het hoogste niveau: hij werd bij Sint-Truiden de opvolger van Frans De Rycke, die sinds… 1925 aan het hoofd van de Truienaars stond. Een grote geschiedenis had STVV nog niet in Eerste klasse – de club begon in 1959 nog maar aan zijn derde seizoen in Eerste klasse –, maar Goethals maakte van De Kanaries een te duchten tegenstander. Met onder andere Roger Nilis (vader van Luc), Antoine Polleunis (vader van Odilon) en Lucien Boffin (oom van Dany) maakte zich meester van de buitenspelval, die destijds in België werd geïntroduceerd door Anderlecht-trainer Pierre Sinibaldi. Als de huidige datasystemen toen al hadden bestaan, was er in het Astridpark vast al heel wat vroeger een belletje gaan rinkelen. Al zat paars-wit natuurlijk gebeiteld met Sinibaldi, die in 1964 een reeks van vijf opeenvolgende landstitels inzette.

De uitstekende verdediging van STVV kreeg er in 1964 ook nog eens een doelman bij die geregeld ver uit zijn doel speelde, namelijk Leon Bosmans. Het hoogtepunt kwam er in het seizoen 1965/66, toen de Truienaars vicekampioen werden. Nooit werd dit resultaat nog geëvenaard op Stayen, een vierde plaats in de seizoenen 2002/03 en 2009/10 (onder respectievelijk Jacky Mathijssen en Guido Brepoels) was het beste resultaat sindsdien. Het is duidelijk: er is een STVV vóór Goethals en een STVV ná Goethals. “Hij heeft van onze spelers profspelers gemaakt. Hij heeft bij die mannen een profmentaliteit aangekweekt en hij heeft daar werkelijk alles uitgehaald wat erin zat”, bevestigde ex-voorzitter Frans Smeets later.

Raymond als bondscoach
Bij de KBVB waren ze al gauw overtuigd van Goethals zijn kwaliteiten, want reeds in 1960 werd hij binnengehaald als beloftencoach en assistent-bondscoach. Aanvankelijk had hij twee bazen over zich heen: hij werkte onder bondscoach Tuur Ceuleers – een Beerschot-icoon dat net als hij voor Racing Club de Bruxelles had gespeeld , maar die moest op zijn beurt natuurlijk ook luisteren naar selectieheer Constant Vanden Stock. In 1966 schoof hij een rang vooruit na het vertrek van Ceuleers. Zijn eerste kwalificatietoernooi als bondscoach liep niet goed af: in een groep met Frankrijk, Polen en Luxemburg pakten de Belgen weliswaar 3 op 4 tegen de uiteindelijke groepswinnaar Frankrijk, maar een 0 op 4 tegen Polen kostte de Belgen een deelname aan het EK 1968 in Italië.

Toen Constant Vanden Stock in 1968 na een conflict met enkele bondsleiders, kreeg Goethals meer macht. Voor het eerst sinds lang had België nog eens een echte bondscoach. Nu hij de touwtjes stevig in handen had, kon Goethals best een assistent-bondscoach gebruiken. Dat werd Julien Labeau, die in de jaren ’30 en ’40 nog met La Gantoise (het huidige AA Gent) in Eerste klasse had gevoetbald. Na enkele passages als speler-trainer had hij RRC de Gand gecoacht in Derde klasse, nadien had hij KRC Lokeren (dat later in fusieclub KSC Lokeren stapte) kampioen gemaakt in Eerste provinciale maar zag hij de club teruggezet worden naar Tweede provinciale vanwege een fraudezaak. Van 1964 tot 1967 coachte hij in Eerste klasse zijn ex-club La Gantoise, maar daar werd hij in februari 1967 – enkele maanden voor de degradatie naar Tweede klasse – ontslagen. Labeau ging in 1968 aan de slag bij de KBVB en zou tot 1985 aanblijven als assistent van Goethals en later Guy Thys.

Tijdens de volgende kwalificatiecampagne was het wél raak. Spanje en Joegoslavië hadden aan respectievelijk een 6-0- en 9-1-zege tegen Finland niet genoeg voor een ticket voor Mexico, het was België – dat met 6-1 het ‘zwakste’ thuisresultaat behaalde tegen het zwakke broertje van de groep – dat zijn koffers mocht pakken voor Mexico. Voor het eerst sinds het WK 1954 in Zwitserland was België nog eens geplaatst voor een groot toernooi. Mexico 70 draaide echter uit op een fiasco. Er was de anti-Van Himst-campagne, die in feite al begonnen was na de verloren EK-kwalificatiewedstrijd in Polen in 1967, en er was de heimwee door de lange voorbereidingstijd in Mexico waarin nietsdoen de enige opdracht was. België opende met een 3-0-zege tegen El Salvador, maar verloor vervolgens van Sovjet-Unie en gastland Mexico. De spelers konden eindelijk weer naar huis gaan.

Op het EK 1972 konden de Belgen bezwaarlijk klagen over heimwee, want de eindronde vond plaats in… België. Eerder had België zich in een groep met Denemarken, Portugal en Schotland geplaatst voor de kwartfinale, waarin het in twee wedstrijden Italië opzij zette – ten koste van het been van Wilfried Van Moer. In de eerste wedstrijd van de eindronde werden de Belgische dromen echter gefnuikt door Gerd Müller, die tweemaal de trekker overhaalde namens West-Duitsland. In de troostfinale tegen Hongarije pakten de Belgen brons tegen Hongarije. Het werd Goethals’ laatste toernooi met België, want het WK 1974 werd op een haar na gemist – België slikte geen enkel tegendoelpunt, maar had een slechter doelsaldo dan de latere vicewereldkampioen Nederland. In de aanloop naar het EK 1976 werd België opnieuw groepswinnaar – boven onder andere Frankrijk –, maar in de kwartfinale gooide Nederland opnieuw roet in het eten: Rob Rensenbrink leidde Nederland met een hattrick naar een 5-0-zege in Rotterdam, en ook op de Heizel kwam Oranje met 1-2 winnen.

Raymond als Anderlecht-trainer
Toen RSC Anderlecht in 1976 na amper één seizoen afscheid nam van Hans Croon, die succes behaalde door naast de Beker van België ook de Europacup II te winnen, maar ook bekendstond als een excentriekeling, haalde Constant Vanden Stock… den Tuveneir binnen. Vanden Stock wist echter perfect wat hij aan Goethals had, want beide heren hadden al jaren samengewerkt bij de KBVB. Waar latere bondscoaches Paul Van Himst, Aimé Antheunis en Frank Vercauteren later van Anderlecht naar de KBVB overgingen (soms met een tussenstap), deed Goethals in 1976 dus het omgekeerde.

Goethals trok die lijn van Europese successen meteen verder door, want in augustus 1976 bezorgde hij Anderlecht al meteen zijn tweede Europese prijs, namelijk de Europese Supercup. Anderlecht had de heenwedstrijd tegen Bayern München weliswaar met 2-1 verloren in het Olympiastadion, maar thuis zette paars-wit dat recht met een 4-1-zege. Twee doelpunten van Rob Rensenbrink, die, zoals Goethals dat zo mooi zei, “voor galawedstrijden zijn smoking aantrok”. Op 3 mei 1978 had de Nederlander vast één van zijn smokings aan Gilbert Van Binst uitgeleend, want de namen van beide heren stonden die avond elk tweemaal op het scorebord in het Parc des Princes. Anderlecht won de Europacup II-finale tegen Austria Wien met 4-0 en had zijn derde Europese beker beet. In december 1978 zorgde Raimundo voor nog een derde Europese triomf: in de Europese Supercup mocht paars-wit nog een streepje bijzetten achter zijn naam nadat het het Liverpool van de legendarische Bob Paisley versloeg. Drie van zijn vijf Europese prijzen behaalde Anderlecht dus onder Goethals, en dan hadden er nog meer kunnen zijn als Anderlecht in 1977 zijn Europacup II-finale niet had verloren tegen Hamburger SV.

In schril contrast met die Europese successen stond de droogte in eigen land. In 1974 had Anderlecht onder Urbain Braems zijn zestiende landstitel binnengehaald, waardoor het stadsgenoot Union Sint-Gillis al een tijdje had onttroond als nationaal recordkampioen. Na de eerste (en meteen ook laatste) titel van stadsgenoot RWDM in 1975 waren bij Club Brugge de Happel-jaren aangebroken en pakte blauw-zwart drie jaar op rij de titel, en in 1979 verscheen er met KSK Beveren opnieuw een nieuwe naam op de erelijst. Tegen de Beringens van deze wereld was Rensenbrink zijn smoking soms thuis vergeten, zo blijkt… In eigen land behaalde Goethals met Anderlecht in zijn eerste periode geen enkele prijs, ondans drie gescoorde goals in de bekerfinale van 1977 Club Brugge scoorde er vier. Tenzij we de Trofee Jules Pappaert de prijs voor de eerste-, tweede- of derdeklasser die de langste onafgebroken reeks met ongeslagen wedstrijden neerzet erbij zouden nemen, want die haalde Anderlecht in 1977 inderdaad binnen. Als paars-wit zijn prijzen chronologisch in de trofeeënkast plaatst, zal die daar mooi staan blinken tussen die Europese bekers…

Raymond als Standard-trainer
Zijn eerste hoofdprijzen in België sorry, Pappaertbeker, die trouwens vernoemd is naar een andere Brusseleir, namelijk ex-Union-kapitein Jules Pappaert behaalde Goethals als trainer van Standard Luik. Hij haalde zijn schade meteen in: Goethals startte met een Supercupzege tegen zijn ex-Anderlecht na strafschoppen en vervolgende met twee landstitels, in 1982 en 1983. Maar dat hij bij Standard nationale prijzen pakte wil niet zeggen dat hij er ditmaal internationaal verstoken bleef van succes, wel integendeel: in 1982 plaatste Goethals zich voor zijn derde Europacup II-finale. In Camp Nou trapte Guy Vandersmissen Standard in de zevende minuut op voorsprong, maar de Deen Allan Simonsen kopte vlak voor de rust de 1-1 binnen. Quini die naast Quinigol toevallig ook de bijnaam El Brujo (‘De Tovenaar’) had werkte de klus in de tweede helft af voor de Catalanen, waardoor Standard in zijn enige Europese finale met lege handen achterbleef.

Goethals toverde in Luik als vanouds: het Standard van Michel Preud’homme, Eric Gerets, Walter Meeuws, Guy Vandersmissen, Jos Daerden, Arie Haan en Simon Tahamata spreekt nog altijd tot de verbeelding. Al verloren die gloriejaren wel heel wat van hun magie toen in 1984 de zaak-Bellemans losbarstte. De Standard-spelers zouden aan de vooravond van de Europese finale tegen Barcelona hun winstpremie van de vorige wedstrijd afstaan aan de spelers van Waterschei als die het in het kampioenenduel tegen Standard rustig aan zouden doen. Zo geschiedde, en na de 3-1-winst werd Standard kampioen. Er werden verschillende straffen uitgesproken, Goethals kreeg uiteindelijk twee jaar schorsing.

Raymond als globetrotter

Raymond als deus ex machina
Na zijn vertrek in Portugal keerde Goethals terug naar België, waar de grootste storm rond de Bellemans-affaire was gaan liggen. Als rasecht voetbaldier kon hij het niet laten om naar het stadion te gaan. Uit alle clubs in Brussel koos hij in die periode opvallend veel voor… Racing Jet, dat toen zijn thuiswedstrijden afwerkte op het tweede terrein van het Heizelstadion. In 1986 keerde de club, die nooit veel toeschouwers kon lokken, na een afwezigheid van één jaar terug naar Eerste klasse. Daniël Renders was officieel trainer, Goethals fungeerde er als een soort officiële adviseur in de tribune. “Racing Jet en Goethals, dat was een soort vrijage die geen jaren stand zou houden. Vanaf het ogenblik dat er een betere partij kwam opdagen, zou Goethals Racing Jet bedanken. Niet dat hij unfair is geweest, verre van. Het was een soort verhouding zoals de zoon van de baron en zijn meid: ze kwamen er wel allebei voor uit, maar het water zou toch te diep blijven. De vraag was alleen welke knapste verleider het eerst naar Raymond zou lonken”, vertelde Rik Coppens er later over in het boek Rik Coppens vertelt: de 4 bondscoaches.

Die verleider, dat werd uiteindelijk Anderlecht. De club had in 1987 zijn lot in de handen van de jonge trainer Georges Leekens gelegd, maar toen dat niet het gewenste resultaat opleverde haalde paars-wit zijn vroegere succestrainer in februari 1988 terug naar het Astridpark. Officieel was Martin Lippens trainer en Goethals slechts technisch directeur, maar ach, als het kind maar een naam heeft. Goethals creeërde weer een ontspannen sfeer op training, waarop het herenigde duo Lippens was in de jaren ’70 al eens assistent van Goethals geweest bij Anderlecht Anderlecht in het seizoen 1987/88 toch nog op een vierde plaats kon parkeren. Het seizoen werd zelfs nog enigszins feestelijk afgesloten door de Beker van België te winnen. Onderweg nekte Goethals twee ex-teams van hem: in de kwartfinale kreeg STVV een 6-0-totaalscore om de oren, in de finale zorgden Luc Nilis en Edi Krnčević voor een 2-0-zege tegen Standard. De bekerfinale van 1989 was quasi een exacte kopie van die van het jaar daarvoor, je hoeft de naam van Nilis enkel te vervangen door die van Milan Janković.

Toen Goethals in 1989 met Bordeaux een andere ex-club van hem te hulp ging schieten, nam hij Lippens mee als assistent. Met dertigers als Piet den Boer, Klaus Allofs en Manfred Kaltz en de toen nog piepjonge Bixente Lizarazu eindigde Bordeaux in het seizoen 1989/90 tweede, op twee punten van Olympique Marseille. Lippens bleef na het vertrek van Goethals in 1990 nog twee jaar assistent bij Bordeaux onder de Duitser Gernot Rohr en de Fransman Gérard Gili. Later coachte hij nog STVV en RWDM, twee ex-clubs van Goethals (als je RWDM als een voortzetting van Daring CB en Racing CB ziet).