Ik loop door de Antwerpse studentenbuurt op weg naar de universiteit. Het stinkende kalfje met het verkapte achterpootje is ondertussen verhangen op het Kiel, waar het paarse kalfjesbloed over de betonnen tribune druipt. De stad neemt in stilte vrede met de al lang aangekondigde dood; ze is verzonken in zichzelf. Het enige paars dat ik op straat zie is: een paarse broek van een overjaarse hippie, paarse nagellak van een prachtige vrouw en een paarse muts die in de goot ligt. Nergens een Beerschot-sjaal, -vlag of -truitje, al kom ik dat sowieso zelden tegen in het centrum van Antwerpen.
Beerschot is drie matchen voor het einde van de competitie veroordeeld naar de krochten van 1B nadat Standard haar achtste thuiswedstrijd verloor van stadsgenoot Seraing. Deze gegevens en statistieken schreeuwen de rommel en lelijkheid uit van de respectievelijke clubs dit seizoen. Standard-trainer Luka Elsner gaf toe dat zijn ploeg nu écht haar bodem heeft bereikt. Slechter dan dit wordt het dus niet. Standard kan maar beter nog een paar overtuigende prestaties neerzetten voor hun nieuwe Amerikaanse bazen zodat zij tijdens de wedstrijd niet meer naar ‘Standard Champion 2007-2008’ op YouTube hoeven te kijken.
Een combinatie van goedgelovige transfers, miscasting van trainers, fascistoïde ‘enkelingen’, een boerenakker en een fatale portie pech bezorgt Beerschot haar eerste trauma sinds het faillissement in 2010. ‘Niemand lacht harder met ons dan onszelf’, ‘Ploeg bouwen om opnieuw mee te doen voor promotie’, we hebben alle vastgelegde zinnen uit het boekje gehoord. Maar het blijft een even groot trauma waar zelfs een karaktervolle club als Beerschot het moeilijk mee zal hebben. De angst voor een brain drain ligt steeds om de hoek; denk aan de ontbolsterde Ilias Sebaoui, de vechtende Joren Dom of kapitein Ryan Sanusi, allemaal Belgen die zeker telefoontjes mogen verwachten. Ik heb het bewust niet over een leegloop, buiten de bovengenoemde spelers is geen naam de vermelding waard.
Ik vraag een Antwerpse student naar zijn voetbalvoorkeur: ‘Gelukkig niet Beerschot, maar die zal je hier deze week toch niet aantreffen.’ Duidelijk, de stad zal nog even in een rouwende gelatenheid berusten. Misschien droeg die paarse muts in de goot wel het Beerschot-embleem, dat had ik terdege moeten controleren en daarbij binnensmonds grinniken.