Na omzwervingen in Brusselse stoptreinstations stond ik plots in een straat die iets bijzonders verborgen hield. Iets bijzonders zou je niet verwachten in het rustige Watermaal, een van de rijkste gemeenten van het gewest, met bomenlaantjes en landelijke architectuur. Maar na een honderdtal meter in de straat, achter een bomenrij op een verhoogde berm, dook een kuil op met wat leek op een Romeins amfitheater rond een atletiekpiste. Ik stond op de hoogste trap van het Drie Lindenstadion, een begrip in de Belgische groundhopper-wereld. Ondanks de geringe geschiedenis van het stadion is de welving in de gigantische staantribune van je reinste schoonheid. De atmosfeer vulde zich met een vurig geroezemoes, alsof het elk ogenblik kan losbarsten in een explosief gejuich van duizenden voetbalsupporters. Die fantasie schermde met de werkelijkheid, want buiten een paar lopers op de piste was er niemand te zien.
Mijn uitstapje naar Drie Linden was een ideale voorbereiding op wat er die avond te wachten stond. In het godvergeten Leuven was de Naamsepoort een kluwen van geelblauwe kleuren en dronken Schotten geworden. Union wachtte Glasgow Rangers op voor de derde voorronde van de Champions League, in het nog meer godvergeten King Power at Den Dreef. Gezellig stadion, als OH Leuven er niet zou spelen. Die rare setting – Union, Champions League, Leuven? – vergat ik meteen toen Union blijk gaf van hun onwerkelijke klasse op het veld. Als de Unionisten begonnen te tikken, waren de Rangers machteloos.
Toen Teddy Teuma de verlossing binnenschoot, was ik getuige van iets dat in werkelijkheid niet kón gebeuren. De explosie die volgde, was van dezelfde orde die ik in het Drie Lindenstadion had gefantaseerd. Er was een ban gebroken; een die voorbij de werkelijkheid ging, voorbij het non-tempo van Rangers. Een voetbalvriend had een Rangers-vlag gespot met de tekst: “Kiwi True Blues, New Zealand”. De halve wereld rondreizen om op je kloten te krijgen van Union Saint Gilloise, dat verdient ook respect. In Leuven hadden ze dit nog nooit meegemaakt. Claxonnerende auto’s en “On reste au bar …” namen de stad over. In stoet gingen ze over de E40, zo snel mogelijk terug naar Vorst. In de auto dacht ik: wat een waanzinnige sport is voetbal toch.