Sérgio Conceição stond klaar om met z’n spelers te beginnen vechten, mano a mano, met naakte vuisten. Zijn woede en teleurstelling leden een eigen leven langs de lijn in schichtige gebaren en hevige kreten. Sommigen bewonderen Conceição voor zijn passionele houding tijdens wedstrijden, maar hij zou zich doodschamen mocht hij zichzelf op tv zien, omdat het allemaal zo zinloos was. Hij speelde een eigen wedstrijd in z’n hoofd.
Carl Hoefkens daarentegen dreef stoïcijns binnen zijn stippenlijnen voor de bank. Zijn blik was de uiting van de Brugse donderwolk die boven Porto de hemelsluizen opende. Zelfs na het laatste fluitsignaal en de 0-4-eindstand een feit was, gaf hij geen krimp. Zijn wedstrijd had zich op het veld afgespeeld.
Conceição moet hebben teruggedacht aan het Club Brugge van zijn laatste jaar bij Standard, aan die mannen die hem aftroefden in de bekerfinale van 2007. Stijn Stijnen, Jonathan Blondel en Mannaseh Ishiaku stonden op het veld. Zo’n verlies blijft altijd plakken. Conceição is er nooit overheen gekomen. Hij nam zijn ploeg mee in dat trauma, want Club speelde simpelweg een klasse hoger. Simon Mignolet, Casper Nielsen en Ferran Jutglá zijn het werkelijke verschil met de bekerwinnaars van 2007. Club deed niet mee met de pseudo-pressing, haantjeskuren en opgeefmentaliteit van Porto; blauwzwart steeg nog maar eens boven zichzelf uit door boven het volledige Belgische voetbal uit te stijgen.
Op die manier heeft Club Brugge de grootste Belgische Champions League-zege ooit nog kunnen geven aan Michel Verschueren. Dat klinkt pijnlijk ironisch in de herinnering aan de overleden Mister Anderlecht, laat staan dat de laatste wedstrijd die hij zag van z’n eigen club een blamage op Westerlo was. Hoeveel inkt er al gevloeid is over de identiteitscrisis van paarswit maakt helemaal niets meer uit. Hun grootste supporter is niet meer, wie zal nu bepalen wat mauve écht betekent?