Op sociale media verscheen donderdag een filmpje waarin Olivier Deschacht zich in de podcast Ongefilterd uitliet over het vrouwenvoetbal. De verontwaardigingsbrigade zag haar kans om enkele verontwaardigde reacties te collectiviseren en evenzeer náást de kwestie te argumenteren.
In zijn column over ditzelfde onderwerp richt mijn collega Luca Lommelen zich voornamelijk op de criticasters van Deschacht en zijn tafelgenoten in Ongefilterd. Twee breuklijnen staan daarbij centraal: vrijheid van meningsuiting vs. massahysterie en rationele sportieve kritiek vs. een emotionele beschermende reactie.
Beide aspecten verdienen een reactie.
De essentie van de vrijheid van meningsuiting is niet dat ze min of meer absoluut is. Daar zijn alle democraten het over eens. Veel belangrijker is wat je met die vrijheid van meningsuiting doet. Met welke intentie gebruik je je platform om een mening te verkondigen? Nogmaals, zowat elke intentie is toegestaan. Maar de ene intentie maakt een tegenstem wel noodzakelijker dan de andere. Ook dat is vrijheid van meningsuiting.
Bij de analyse van die drijfveren valt op dat de mensen achter de podcast het desbetreffende fragment zélf met de wereld deelden. Wetende dat de podcast zich expliciet in de markt zet als arena van het vrije woord, waar de panelleden geen blad voor de mond nemen en zeggen wat niemand anders nog maar durft te denken, is dat geen detail. De intentie van de mensen achter de podcast was choqueren. De intentie van de podcasters zelf was zich geforceerd een rolletje aanmeten dat hen eigenlijk totaal niet ligt, dat hun petje intellectueel te boven gaat. Als zelfs een Bart De Pauw er niet in slaagt, wat mogen we dan verwachten van figuren als Olivier Deschacht of Radja Nainggolan? Angel Redondo kan veel redden, maar niet alles.
De inhoud dan. Het hoongelach komt inderdaad voort uit een sportieve analyse en uit de vaststelling dat het niveau van het vrouwenvoetbal behoorlijk laag ligt. Wel, die kritiek is best terecht en het onderwerp van een vrij brede consensus. Ook onder de mensen die nauw betrokken zijn bij het vrouwenvoetbal.
Niet alleen is het kortom een mening die allesbehalve controversieel is en zijn podcastdoel dus mist, het gaat bovenal om een mening die de betrokkenen intussen beu gehoord zijn. De enkelingen – massahysterie is, zoals zo vaak, een ferme overschatting – die voldoende moed bij elkaar wisten te rapen om toch nog maar eens te reageren, zeggen niet dat de ‘analisten’ geen recht van spreken hadden. Evenmin beweren ze dat de kern van de analyse onjuist was. Alleen spelen zij al lange tijd op een ander niveau: niet dat van de simpele vaststelling, maar dat van de naarstige zoektocht naar oplossingen.
Die oplossingen, hefbomen om de kwaliteit van het vrouwenvoetbal te verhogen, zijn bekend. Ten eerste is er – zoals in vele andere sporten wel al gebeurde – nood aan adaptatie: kleinere terreinen, kleinere doelen, kleinere ballen. Zonder afmetingen op maat geen kwaliteit.
Ten tweede is er een grotere instroom van technisch én atletisch talent nodig in de opleidingscentra. Terwijl het gros van de jongens met de juiste voetbalcapaciteiten effectief zijn weg vindt naar het veld, kiezen hun vrouwelijke tegenhangers doorgaans voor andere sporten. Zonder talent geen kwaliteit.
Beide elementen vragen fikse investeringen, financieel maar óók mediatiek. De trilogie kwaliteit – populariteit – middelen mag dan wel een belangrijke sporteconomische realiteit zijn, het is niet een waarin je niet kan ingrijpen via proactieve investeringen of stemmen die hun platform constructief gebruiken. De causaliteit is tenslotte veeleer cirkelvormig en dus oneindig, of zelfs nog veel complexer.
Elke terechte opmerking over de lage kwaliteit van het spel die niet gevolgd wordt door een pleidooi voor investeringen, duwt de vooruitgang die weldegelijk gemaakt wordt, traag maar gestaag, terug achteruit.
