Met Paco Gento verliest Real Madrid een absoluut icoon. De voormalige linksbuiten, die vandaag op 88-jarige leeftijd overleed, was de enige speler die erbij was bij de eerste zes Europacup I-overwinningen van Real Madrid.

Francisco ‘Paco’ Gento werd op 21 oktober 1933 – drie jaar voor de start van de Spaanse Burgeroorlog – geboren in Guarnizo, een dorpje in de landelijk gelegen autonome gemeenschap Cantabrië. Zijn jongere broers Julio (overleden in 2016) en Antonio (overleden op kerstdag 2020) speelden ook voetbal, maar bouwden uiteindelijk nooit zo’n succesvolle carrière uit als hun oudere broer. Via SD Nueva Montaña, SD Unión Club en SD Rayo Cantabria belandt Paco in 1952 bij Racing Santander, waarmee hij in het seizoen 1952/53 uitkomt in de Primera División.

Na amper één seizoen plukt Real Madrid hem weg bij Santander. Het wordt het begin van een prijzenregen, met daarbij onder andere twaalf landstitels (niemand deed ooit beter, Lionel Messi zwaaide vorig jaar af met tien stuks) en zes keer Europacup I (1956-1960, 1966). Samen met de vorig jaar overleden Pachín was hij de enige die zowel de Europacup I-finale van 1960 als die van 1966 speelde. Hij won 23 prijzen met Real Madrid, een aantal dat pas… afgelopen zondag werd geëvenaard door Marcelo.

Net iets beter dan Maldini

Niemand evenaarde vooralsnog zijn zes Europacup I-zeges. Naast zeven Real Madrid-spelers uit de jaren ’50 (waaronder Alfredo Di Stéfano) hebben slechts drie spelers de beker met de grote oren vijf keer gewonnen: Paolo Maldini, Alessandro Costacurta en Cristiano Ronaldo. Maldini en Gento delen overigens het record van acht gespeelde Europacup I-/Champions League-finales – Gento stond in 1962 en 1964 in het verliezende kamp.

Waar Maldini de Spanjaard wel overtreft, is het aantal WK-deelnames. Maldini speelde vier WK’s, Gento was slechts actief op twee eindrondes – het WK 1962 in Chili en het WK 1966 in Engeland. Daartussen won Spanje het EK 1964 in eigen land. Gento ontbrak op de eindronde vanwege een onenigheid met bondscoach José Villalonga – onder wie hij in 1956 en 1957 zijn eerste twee ECI’s had gewonnen –, maar in de kwalificatiefase had in de achtste finale wel de enige goal gemaakt tegen Noord-Ierland, waardoor Spanje met een 2-1-totaalscore doorging naar de laatste horde.

Benzema in de nek

Gento hing in 1971 de schoenen aan de haak. Met 601 officiële wedstrijden voor Real Madrid staat hij op een (met Fernando Hierro) gedeelde zesde plaats in de clubgeschiedenis, al staat Karim Benzema (586 wedstrijden) op het punt om Hierro en Gento een plaatsje naar beneden te duwen. Ook Marcelo (536 wedstrijden) is stilaan op komst. Qua goals staat hij met 182 goals achtste op de topschutterslijst aller tijden van Real Madrid.

Na zijn spelersafscheid coachte Gento nog enkele kleinere clubs (CD Castellón, Palencia CF, Granada CF), maar een trainerscarrière als pakweg zijn ex-ploegmaat Alfredo Di Stéfano bouwde hij nooit op. Gento volgde Di Stéfano in 2016, twee jaar na diens overlijden, op als erevoorzitter van Real Madrid. Op dat momet had huidig Atlético Madrid-speler Marcos Llorente, van wie Gento de oudoom was, reeds drie officiële wedstrijden in het eerste elftal van Real Madrid gespeeld. María Antonia Gento, de zus van Paco, baarde met Francisco (de vader van Marcos) en Julio Llorente trouwens twee latere Real Madrid-spelers. En om de stamboom helemaal te doen kloppen: de grootvader langs moederszijde van Marcos Llorente, Ramón Grosso, deelde van 1964 tot 1971 de kleedkamer met… Paco Gento bij Real Madrid.